Aanneming tot kinderen of zoonstelling? 

Aanneming tot kinderen of zoonstelling?

Onder dit lemma vermeldt een willekeurige Bijbelse encyclopedie:

“Dit begrip komt in de Bijbel herhaaldelijk voor, al wordt de term zelf niet gebruikt. Paulus gebruikt het herhaaldelijk om de ervaring weer te geven van de Christen die in de toestand van kindschap Gods treedt. Hij kende uit het Romeinse recht de procedure waardoor iemand werd geadopteerd met alle rechten van het zoonschap, en maakte van deze analogie in zijn brieven herhaaldelijk gebruik.”

Ervaring? Romeins recht?

Voorbijgaand aan het begrip wedergeboorte, maken de traditionele commentaren ons tot pleegkinderen van God! En als ze dat niet doen melden ze wél, dat dit Bijbelse begrip de bijzondere positie van de gelovige aanduidt, maar níet wat die positie dan wezenlijk is! Alsof God een voorbeeld heeft genomen aan het Romeins recht! Maar “aanneming tot kinderen” komt inderdaad niet voor in de Bijbel.

De juiste vertaling is ‘Zoonstelling’. En dit begrip heeft inderdaad betrekking op een bijzondere positie!
In de kerkelijke en theologische traditie kent men dit begrip totaal niet; waarschijnlijk omdat het begrip ‘zoon’ sinds Nicea is doodgefilosofeerd. Niettemin, en juist daarom, was het – op verzoek – het onderwerp op een studiedag in Apeldoorn. Beluister via de link.>> Aanneming tot kinderen?

Beluister ook: Geroepen tot Zoonschap

lees ook:

Zoonstelling – Meer dan wedergeboorte alleen

Hogepriesterschap van Christus vandaag

Wat het Hogepriesterschap van Christus vandaag voor ons betekent

Niet naar de orde van Aäron, maar naar de orde van Melchizedek

Veel gelovigen spreken over het kruis. Over vergeving. Over opstanding.

Maar de vraag wat Christus nú doet, wordt zelden gesteld. Veel verder dan dat Hij op dit moment in de hemel zit aan de rechterhand van God, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden, gaat het verhaal meestal verder niet.

De Schrift echter, leert niet alleen dat Hij gestorven is en opgestaan, maar leert dat Hij vandáág een bediening vervult — als Hogepriester.

En wat voor een Hogepriester!

Niet naar de orde van Aäron.

Maar naar de orde van Melchizedek.

En dat verschil is cruciaal. De uitleg geeft de brief aan de Hebreeën.

Het Levitische priesterschap: tijdelijk en onvolkomen

Onder de wet stelde God het priesterschap in via Aäron, uit de stam Levi.

Kenmerken:

  • Erfelijk bepaald
  • Verbonden aan de wet van Mozes
  • Gebonden aan een aardse tabernakel
  • Gebaseerd op herhaalde offers
  • Uitgeoefend door sterfelijke mensen

De hogepriester ging éénmaal per jaar het heilige der heiligen binnen (Leviticus 16). Maar hij was zelf zondaar. Hij moest eerst voor zichzelf offeren.

“En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven.”
(Hebreeën 7:23, STV)

Het systeem was nooit afgerond.
Elke generatie bracht een nieuwe hogepriester.

En, heel belangrijk:

“Indien dan de volkomenheid door het Levitische priesterschap ware…”
(Hebreeën 7:11, STV)

Het antwoord is duidelijk: dat was niet zo.

Het bracht géén volkomenheid.

Het was een schaduw.

Christus kon geen priester zijn in de orde van Aäron

Christus kwam niet uit Levi.

“Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; van welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.”
(Hebreeën 7:14, STV)

Volgens de Wet kon Hij dus geen Levitisch priester zijn.

Zijn priesterschap berust niet op afstamming.
Niet op ceremonieel recht.
Niet op de wet van Mozes.

Daarom zegt de Schrift iets revolutionairs:

“Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.”
(Hebreeën 7:17, SV)

Wie was die Melchizedek?

Melchizedek verschijnt in Genesis 14, lang vóór de wet.

De Genesis beschrijft hem als:

  • Koning van Salem
  • Priester van de allerhoogste God
  • Zonder vermelde genealogie

Hij staat los van het Levitische systeem.

Hebreeën zegt:

“Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening… blijft hij een priester in eeuwigheid.”
(Hebreeën 7:3, STV)

Dat betekent niet dat hij letterlijk geen ouders had, maar dat zijn priesterschap niet op afstamming rust.

Dat is precies het punt.

Waarom Melchizedek hoger is dan Aäron

Hebreeën 7 toont twee beslissende argumenten.

Abraham gaf tienden aan Melchizedek

“Ziet dan hoe groot deze geweest is, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft.”
(Hebreeën 7:4, STV)

Abraham is groter dan Levi (want Levi was nog niet uit Abraham geboren).

Tóch gaf Abraham tienden aan Melchizedek.

Dus Melchizedek staat boven Abraham.
En daarmee boven Levi.
En daarmee boven Aäron.

Melchizedek zegende Abraham

“En zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is.”
(Hebreeën 7:7, STV)

De meerdere zegent de mindere. (Dit is een glashelder Bijbels principe.Vergelijk ook Genesis 25:23)

Het Melchizedek-priesterschap is dus hoger.

Een verandering van priesterschap betekent verandering van wet

Dit is ook een cruciaal principe, wat vaak verkeerd, of beter nog: niet verstaan wordt.

Hier ligt de kern:

“Want als het priesterschap veranderd wordt, zo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet.”
(Hebreeën 7:12, STV)

Dit betekent:

Het Levitische systeem kan niet blijven naast dat van Christus.

Er is geen combinatie.
Geen parallel systeem.
Geen aanvulling.

Er is sprake van VERvulling,en daarmee beëindiging van het oude als geldend priestersysteem.

De basis van Christus’ priesterschap

Het Levitische priesterschap was:
  • Naar de wet des vleselijken gebods
  • Tijdelijk
  • Sterfelijk
  • Herhaaldelijk offerend
Christus’ priesterschap is:

“Naar de kracht des onvergankelijken levens.”
(Hebreeën 7:16, SV)

Zijn Opstanding is de grond.

Hij sterft niet meer.
Hij wordt niet opgevolgd.
Hij hoeft niet opnieuw te offeren.

Zijn offer: éénmaal en volkomen

“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods.”
(Hebreeën 10:12, STV)

De Levitische priesters stonden dagelijks.

Christus zit.

Zitten betekent: het werk is voltooid.

Er is geen herhaling.
Geen voortdurende offerhandeling.
Geen aanvulling nodig.

Zijn huidige bediening: voorbede

“Waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.”
(Hebreeën 7:25, STV)

Ook Romeinen 8:34 bevestigt:

“Christus is het Die gestorven is; ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.”

Dat is Zijn huidige Hogepriesterlijke bediening.

Hij pleit.
Hij vertegenwoordigt.
Hij leeft.

Onze zekerheid rust niet op onze standvastigheid, maar op Zijn blijvende voorbede.

Vrijmoedige toegang

“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade…”
(Hebreeën 4:16, STV)

Onder Aäron: afstand.
Onder Christus: toegang.

Onder de Wet: één man, één keer per jaar.
Onder Genade: iedere gelovige, voortdurend.

Dát is het praktische gevolg van een hoger priesterschap.

De scherpe conclusie

Het Levitische priesterschap was een schaduw.
Dat van Christus is werkelijkheid.

Aäron was tijdelijk.
“Melchizedek” (Christus) is eeuwig.

Het oude systeem was verbonden aan sterfelijkheid.
Het nieuwe rust op onvergankelijk leven.

Wie terugkeert naar aardse bemiddelaars of herhaalde offers, otkent daarmee eigenlijk de verheven positie van Christus.

Hij is niet slechts een betere Aäron.
Hij is Hogepriester naar een hogere orde.

Zijn priesterschap is:

  • Eeuwig
  • Onveranderlijk
  • Volkomen
  • Hemels
En daarom kan Hij ook volkomen zalig maken.

Wij leven niet onder een tijdelijk systeem.
Wij leven onder een levende, hemelse Hogepriester naar de orde van Melchizedek.

Dat is hoger.
Dat is definitief.
Daar kunnen we in rusten.

lees ook:

Wat doet Christus sinds Zijn opstanding?

“Koning Jezus”

Hebreeën 10:25, welke samenkomst?

 

Geverifieerd door MonsterInsights