Waarom God onvolprezen is volgens de Bijbel

God is onvolprezen, waarom alle lof tekortschiet

Er zijn woorden die wij vaak gebruiken, maar nauwelijks kunnen bevatten. Eén daarvan is: onvolprezen.

Het betekent niet simpelweg dat God veel lof waard is. Het betekent dat Hij méér lof waard is dan mensentaal ooit kan dragen. Zelfs de zuiverste aanbidding blijft kleiner dan Zijn heerlijkheid.

Dat is geen vrome overdrijving. Het is de nuchtere conclusie van de Schrift. God is niet groot omdat mensen Hem groot maken. Hij is groot in Zichzelf.

Hij is niet heerlijk omdat wij Hem prijzen. Wij prijzen Hem omdat Hij heerlijk is.

“Groot is de HEERE, en zeer te prijzen; en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.” Psalm 145:3 (STV)

God is onvolprezen

De mens prijst God niet te veel, maar altijd te weinig

Een van de grootste vergissingen van de moderne mens is dat hij denkt dat lofprijzing iets toevoegt aan God. Alsof God onze erkenning nodig heeft om God te zijn. Maar de Bijbel leert precies het omgekeerde. God is volmaakt, onafhankelijk en heerlijk in Zichzelf. Onze lof maakt Hem niet groter; onze lof erkent dat Hij groter is dan wij kunnen uitspreken.

“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.” Romeinen 11:36 (STV)

Dat ene vers ontmantelt alle menselijke grootspraak. Alles is uit Hem. Alles bestaat door Hem. Alles heeft zijn uiteindelijke doel in Hem. De mens staat dus niet in het centrum van de werkelijkheid. God wel.

Daarom is aanbidding geen religieuze bijzaak. Het is de enige passende reactie op de realiteit.

 

God is onvolprezen omdat Hij de Schepper is

De Schrift verklaart:

“In den beginne schiep God den hemel en de aarde.” Genesis 1:1 (STV)

Dat is de grondtoon van de Bijbel. God is vóór alles. Hij is de Oorsprong, de Maker, de Bezitter en de Onderhouder van alle dingen. De schepping is geen zelfstandig wonder dat los van God bewonderd kan worden. Zij is een getuigenis van Hem.

“De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.” Psalm 19:2 (STV)

Elke ster, elke ademtocht, elke seconde van ons bestaan wijst terug naar Hem. De mens kan de schepping onderzoeken, benoemen, meten en benutten, maar hij kan haar niet verklaren zonder de Schepper. Wie de schepping losmaakt van God, houdt uiteindelijk alleen materie over zonder betekenis.

God is onvolprezen omdat Hij niet een onderdeel is van de werkelijkheid. Hij is Degene door Wie de werkelijkheid bestaat.

 

God is onvolprezen omdat Hij heilig is

Gods heerlijkheid ligt niet alleen in Zijn macht, maar ook in Zijn heiligheid. Hij is niet slechts sterker dan de mens, maar wezenlijk anders. Hij is rein, rechtvaardig, waarachtig en zonder enige schaduw van kwaad.

“En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen; de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol.” Jesaja 6:3 (STV)

Dit is belangrijk. De Bijbel stelt God niet voor als een vergrote versie van de mens. Hij is geen hemelse projectie van onze verlangens. Hij is de Heilige. Dat betekent dat Hij niet naar beneden getrokken mag worden tot het niveau van menselijke smaak, emotie of religieuze beleving.

Juist daarom schuurt echte Godskennis met veel moderne religie. Waar God vooral wordt voorgesteld als bevestiger van menselijke dromen, verdwijnt Zijn heiligheid naar de achtergrond. Maar een god zonder heiligheid is niet de God van de Bijbel.

God is onvolprezen omdat Hij niet door de mens wordt gedefinieerd. Hij openbaart Zichzelf.

 

God is onvolprezen omdat Zijn wijsheid ondoorgrondelijk is

De mens wil verklaren, beheersen en controleren. God vraagt geloof, ontzag en onderwerping aan Zijn Woord. Niet omdat geloof tegen denken ingaat, maar omdat Gods wijsheid hoger is dan menselijke redenering.

“O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!” Romeinen 11:33 (STV)

De apostel Paulus eindigt hier niet in speculatie, maar in aanbidding. Dat is veelzeggend. Ware Bijbelkennis maakt een mens niet hoogmoedig, maar ootmoedig. Hoe meer men van Gods raad verstaat, hoe meer men beseft dat God niet in ons systeem past.

“Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.” Jesaja 55:8 (STV)

Daarom is het gevaarlijk wanneer mensen God willen beoordelen met de maatstaf van hun eigen gevoel. God staat niet terecht voor de rechtbank van menselijke voorkeur. De mens staat voor God.

 

God is onvolprezen omdat Hij genadig is

De grootste reden tot lof is niet dat de mens goed is, maar dat God goed is voor schuldige mensen. De Bijbel vleit de mens niet. Zij zegt dat de mens zondaar is, schuldig voor God, onbekwaam om zichzelf te redden. Juist tegen die donkere achtergrond schittert de genade.

“Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.” Romeinen 5:8 (STV)

Let op de volgorde. Christus stierf niet voor mensen die zichzelf eerst hadden opgewerkt tot aanvaardbaarheid. Hij stierf voor zondaars. Dat is genade. Niet God Die de zonde door de vingers ziet, maar God Die in Christus Zelf de grond legt voor verlossing.

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.” Efeze 2:8 (STV)

Genade maakt God niet minder heilig. Genade laat juist zien hoe heilig Hij is. Zonde moest geoordeeld worden. Schuld moest gedragen worden. Verzoening moest werkelijk tot stand komen. En dat heeft God gedaan in Zijn Zoon.

Daarom is God onvolprezen: Hij redt niet ten koste van Zijn rechtvaardigheid, maar in volkomen overeenstemming daarmee.

 

God is onvolprezen omdat Christus Zijn heerlijkheid openbaart

Wie wil weten hoe God Zich ten diepste heeft geopenbaard, moet niet beginnen bij menselijke filosofie, maar bij Christus. In Hem wordt Gods heerlijkheid zichtbaar.

“Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid.” Hebreeën 1:3 (STV)

Christus is niet slechts een leraar over God. Hij is niet slechts een profeet namens God. Hij is het Afschijnsel van Gods heerlijkheid. In Hem woont de volheid.

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.” Kolossenzen 2:9 (STV)

Daarom is elke poging om God te eren terwijl Christus wordt verkleind, innerlijk tegenstrijdig. Men kan de Vader niet werkelijk eren terwijl men de Zoon reduceert. De Schrift legt de heerlijkheid van God open in de Persoon, de vernedering, de dood, de opstanding en de verhoging van de Heere Jezus Christus.

“Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren.” Johannes 5:23 (STV)

Dat is een krachtig apologetisch punt. Bijbels geloof is niet algemeen religieus. Het is Christusgericht. De lof op God krijgt haar volle inhoud in de erkenning van de Zoon.

 

God is onvolprezen omdat het kruis Zijn recht en liefde samenbrengt

Het kruis is geen tragisch einde van een idealist. Het is het middelpunt van Gods verlossingswerk. Daar wordt zichtbaar wat geen mens had kunnen bedenken: Gods oordeel over de zonde en Gods liefde tot zondaren komen samen in Christus.

“Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.” 2 Korinthe 5:21 (STV)

Hier valt alle religieuze zelfhandhaving weg. De mens wordt niet gered door eigen verbetering, kerkelijke vormen, rituelen, wetsonderhouding of geestelijke prestaties. Hij wordt gered door het volbrachte werk van Christus.

“Het is volbracht.” Johannes 19:30 (STV)

Die woorden zijn geen poëtische verzuchting. Zij zijn de triomfkreet van de Verlosser. Wat nodig was tot verzoening, is gedaan. Wat de mens niet kon dragen, heeft Christus gedragen. Wat de mens niet kon volbrengen, heeft Hij volbracht.

Daarom is God onvolprezen: Hij heeft Zelf voorzien in de weg tot behoud.

 

God is onvolprezen omdat Zijn trouw niet wankelt

Mensen zijn veranderlijk. Overtuigingen verschuiven. Kerken kunnen dwalen. Leiders kunnen vallen. Culturen komen en gaan. Maar God blijft Dezelfde.

“Want Ik, de HEERE, word niet veranderd.” Maleachi 3:6 (STV)

Dat is geen koude leerstelling, maar een diepe troost. Gods trouw rust niet op de kracht van de mens. Zijn beloften zijn geworteld in Zijn eigen Wezen. Wat Hij spreekt, staat vast. Wat Hij belooft, zal Hij doen.

“Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen.” 2 Timotheüs 2:13 (STV)

Juist daarom verdient God niet tijdelijke, oppervlakkige of emotionele lof, maar blijvende aanbidding. Hij is trouw wanneer mensen falen. Hij is waarachtig wanneer mensen liegen. Hij is onveranderlijk wanneer alles beweegt.

 

De apologetische spits

Waarom is God onvolprezen? Omdat geen enkel alternatief Hem kan vervangen.

Een mensgerichte levensbeschouwing kan misschien spreken over moraal, maar niet verklaren waarom goed en kwaad werkelijk gezag hebben. Een puur materialistisch wereldbeeld kan materie beschrijven, maar geen uiteindelijke zin geven. Religie zonder Christus kan vroom klinken, maar lost het probleem van schuld niet werkelijk op.

De Bijbel openbaart God als Schepper, Rechter, Verlosser en Koning. Hij is heilig genoeg om zonde te oordelen, wijs genoeg om Zijn raad te volvoeren, liefdevol genoeg om zondaars te redden, en machtig genoeg om alles tot Zijn doel te brengen.

Daarom is God onvolprezen. Niet omdat gelovigen dat graag zeggen, maar omdat de werkelijkheid ervan getuigt, de Schrift het openbaart en Christus het bevestigt.

 

Samenvattend

De vraag is uiteindelijk niet of God onze lof waard is. De vraag is of onze lof ooit groot genoeg kan zijn. En het antwoord van de Schrift is helder: nee. Zijn grootheid is ondoorgrondelijk. Zijn genade is onmetelijk. Zijn wijsheid is onnaspeurlijk. Zijn heerlijkheid is eeuwig.

Daarom zal de gelovige Hem prijzen, niet omdat hij alles begrijpt, maar omdat hij Hem heeft leren kennen in Christus.

“Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.” 1 Timotheüs 1:17 (STV)

 

 

Kapstok prediking is bijvoorbeeld dit

Wanneer een Bijbeltekst een kapstok wordt

Over genezing, geloof en het gevaar van losse bewijsverzen

Soms klinkt een boodschap op het eerste gehoor krachtig, Bijbels en vol geloof. Er worden bekende woorden gebruikt: “Het is volbracht,” “door Zijn striemen bent u genezen,” “Jezus heeft de prijs betaald.” Wie zou daar bezwaar tegen willen maken? Het zijn immers Bijbelse woorden. En toch kan daar een groot probleem zitten.>Niet elke boodschap waarin Bijbelteksten voorkomen, is daarmee  automatisch ook Bijbelse prediking. Een tekst kan heel eenvoudig gebruikt worden als kapstok: men hangt er een leerstelling aan op die niet  uit de tekst zelf voortkomt. De tekst wordt niet uitgelegd, maar gebruikt als springplank voor een vooraf gekozen boodschap. Inlegkunde wordt zo iets ook wel genoemd.
Een kort fragment over genezing  uit een preek van Johan Toet laat goed zien hoe dat dan gaat. De boodschap komt hierop neer:

“U bent genezen. Door Zijn striemen bent u genezen. Het is voltooid verleden tijd.

Dat klinkt nogal autoritair. Maar is het ook Bijbels verantwoord?

kapstokprediking
Wanneer een Bijbeltekst een kapstok wordt

Wat is kapstokprediking?

Kapstokprediking hebben we het over wanneer een Bijbeltekst niet zorgvuldig in zijn verband wordt gelezen, maar wordt gebruikt om een thema te dragen dat er gedeeltelijk of helemaal overheen wordt gelegd.
Er wordt dan bijvoorbeeld gewerkt met bekende woorden of zinnen:

“Door Zijn striemen bent u genezen.”
“Het is volbracht.”
“Jezus is de Bevrijder.”
“De duivel is de overweldiger.”

Op zichzelf zijn dat geen verkeerde woorden. Het probleem zit in de manier waarop ze verbonden worden. De vraag is niet alleen: komen deze woorden ergens in de Bijbel voor? De vraag is: worden ze gebruikt zoals de Bijbel ze gebruikt?
Dat is een cruciaal verschil.
De tekst wordt niet uitgelegd, maar ingezet.
In de gelinkte video wordt Jesaja 53 of 1 Petrus 2:24 gebruikt om te stellen dat de gelovige nu al lichamelijk genezen is. Het argument is: Christus heeft geleden, dus genezing is al voltooid. Niet iets wat Hij nog moet doen, maar iets wat al vaststaat.
Maar 1 Petrus 2:24 zegt:

“Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.”
1 Petrus 2:24 STV

De context gaat niet over een vermeende garantie op lichamelijke gezondheid in dit leven. Petrus spreekt over zonde, gerechtigheid, lijden, navolging en geestelijk herstel. De genezing waarover hij spreekt, staat in direct verband met het dragen van onze zonden en het leven voor de gerechtigheid.
Dat betekent niet dat God niet lichamelijk geneest. Natuurlijk kan Hij dat. De Schrift getuigt daar duidelijk van. Maar het is iets anders om te zeggen: God kan genezen, dan om te zeggen: iedere gelovige is nu al lichamelijk genezen, omdat het voltooid verleden tijd is.
Dat laatste legt de tekst meer op dan hij zegt.
“Het is volbracht” wordt breder getrokken dan de tekst toelaat
Ook de woorden van de Heere Jezus aan het kruis worden in dit soort prediking vaak gebruikt als totaalclaim voor alles wat de gelovige nu zou moeten bezitten: vergeving, overwinning, voorspoed, gezondheid, bevrijding, herstel.
Maar wanneer Christus zegt: “Het is volbracht,” spreekt Hij over het werk dat de Vader Hem gegeven had om te doen. Zijn offer is volkomen. De schuld is betaald. De verzoening is tot stand gebracht.
Dat is heerlijk en onaantastbaar.
Maar de Bijbel leert óók dat de volle uitwerking van Christus’ werk nog toekomstig is. Paulus schrijft:

“En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.”
Romeinen 8:23 STV

Let op die woorden: wij verwachten nog de verlossing van ons lichaam. De gelovige is werkelijk verlost, maar leeft nog in een sterfelijk lichaam. Daarom worden gelovigen ziek. Daarom worden gelovigen zwak. Daarom sterven gelovigen nog.
Wie zegt dat lichamelijke genezing nu al op dezelfde wijze voltooid bezit is als vergeving van zonden, schuift de toekomstige heerlijkheid naar het heden.
Ziekte wordt te simpel demonisch genoemd
Een ander ernstig probleem is de uitspraak dat ziekte demonisch is. In het fragment wordt gezegd dat ziekte met de zondeval gekomen is, en vervolgens: “maar het is gewoon demonisch… ziekte is demonisch.”

Dat is veel te kort door de bocht.
De Bijbel laat inderdaad zien dat sommige ziektegevallen verbonden kunnen zijn met demonische gebondenheid. Maar de Bijbel zegt nergens dat alle ziekte demonisch is.
Timotheüs had lichamelijke zwakheden. Paulus schrijft hem:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.”
1 Timotheüs 5:23 STV

Paulus zegt niet:

“Timotheüs, je moet de demon van maagklachten uitwerpen.”

Hij geeft praktisch, lichamelijk advies.
Ook lezen we:

“Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.”
2 Timotheüs 4:20 STV

Dat moet opvallen. Paulus, door wie God bijzondere wonderen had gedaan, liet een medewerker ziek achter. Als genezing altijd al als zichtbaar bezit geclaimd moest worden, is dit moeilijk te verklaren.
De Schrift is nuchterder dan veel genezingsprediking.

De pastorale schade is groot

Dit soort prediking klinkt misschien moedig, maar kan voor zieke gelovigen buitengewoon belastend zijn.
Want als gezegd wordt: “U bent genezen”, wat moet iemand dan met zijn pijn, diagnose, beperking of chronische ziekte?
Als gezegd wordt: “Ziekte is demonisch”, wat doet dat met iemand die al lijdt?
Als gezegd wordt: “Genezing is volbracht”, wat blijft er dan over wanneer genezing uitblijft?
Dan komt de druk bijna vanzelf bij de zieke terecht. Heeft hij wel genoeg geloof? Spreekt hij wel goed? Begrijpt hij zijn positie in Christus wel? Staat hij misschien open voor demonische invloed?
Zo verandert een boodschap die bevrijdend wil zijn in een last. De zieke wordt niet vertroost met Christus, maar geconfronteerd met een ideaalbeeld waaraan hij blijkbaar niet voldoet.
Dat is niet hoe de Schrift spreekt.
Paulus zelf bad driemaal of de doorn in zijn vlees van hem weggenomen mocht worden. Gods antwoord was niet:

“Paulus, claim je genezing.”

Gods antwoord was:

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.”
2 Korinthe 12:9 STV

Dat is geen ongeloof. Dat is werkelijkheid.

Het verschil tussen gekocht en toegepast

Hier ligt een belangrijk onderscheid. Christus heeft door Zijn werk de totale verlossing verworven. Uiteindelijk zal er geen ziekte, geen dood, geen rouw en geen pijn meer zijn. Dat is zeker.
Maar wat Christus gekocht heeft, wordt niet allemaal op hetzelfde moment toegepast.

De vergeving van zonden ontvangt de gelovige nu.
De Heilige Geest woont nu in de gelovige.
De aanneming tot kinderen is nu werkelijkheid.
Maar de verlossing van het lichaam wordt nog verwacht.
De opstanding is toekomstig.
De volledige bevrijding van ziekte en dood hoort bij de komende heerlijkheid.
Daarom zegt de Bijbel niet dat wij nu al leven alsof de nieuwe hemel en nieuwe aarde volledig zijn aangebroken. Wij leven in de verwachting daarvan.

Kapstokprediking mist Bijbelse verhoudingen

Het probleem met deze boodschap is niet dat er helemaal geen waarheid in zit. Dat maakt het juist ingewikkeld.
Het is waar dat Christus heeft betaald.
Het is waar dat ziekte door de zondeval in de wereld gekomen is.
Het is waar dat de duivel een verderver is.
Het is waar dat Jezus macht heeft over ziekte, dood en demonen.
Het is waar dat God kan genezen.

Maar uit die waarheden wordt een conclusie getrokken die de Schrift niet trekt: dus is iedere gelovige nu al lichamelijk genezen en is ziekte demonisch.
Dat is kapstokprediking. Bijbelwoorden worden opgehangen aan een systeem, in plaats van dat het systeem wordt getoetst aan de Bijbel.

Hoe zou gezonde prediking hierover klinken?

Gezonde Bijbelse prediking zou ongeveer zo spreken:
Christus heeft volkomen betaald.
De zondeval heeft gebrokenheid, ziekte en dood gebracht.
God kan genezen, en wij mogen Hem daarom vrijmoedig bidden om genezing.
Soms geneest God onmiddellijk. Soms gebruikt Hij middelen. Soms geeft Hij genade om te dragen.

Een zieke gelovige is niet minder verlost.

Een chronisch zieke broeder of zuster is niet automatisch onder demonische invloed.
Onze hoop ligt niet in een claim op een pijnvrij leven nu, maar in Christus Zelf en in de toekomstige verlossing van ons lichaam.
Dat is minder spectaculair, maar Bijbels. En pastoraal.

Conclusie: laat de tekst spreken

De grote les is deze: een Bijbeltekst mag nooit een kapstok worden voor een boodschap die wij er graag aan willen hangen. De tekst moet zelf spreken. In zijn verband. In de lijn van heel de Schrift.
Wanneer “door Zijn striemen bent u genezen” wordt losgemaakt van zonde en gerechtigheid, ontstaat scheefgroei. Wanneer “Het is volbracht” wordt gebruikt als garantie voor directe lichamelijke genezing, wordt de toekomstige heerlijkheid naar het heden getrokken. Wanneer ziekte zonder onderscheid demonisch wordt genoemd, worden kwetsbare gelovigen geestelijk belast.
De Schrift geeft een rijkere, nuchtere en troostvollere boodschap.
Christus heeft werkelijk overwonnen.
God kan werkelijk genezen.
Maar de gelovige zucht nog steeds in een sterfelijk lichaam.
En juist daar klinkt het Evangelie helder: niet dat wij nu al geen zwakheid meer kennen, maar dat Christus’ genade genoeg is, zelfs midden in zwakheid.

Zie ook

Kapstok prediking – Bijbelse basis

Mensgerichte prediking ontmaskerd: wanneer de Bijbel als kapstok wordt misbruikt – Bijbelse basis

 

Wat valt er af te dingen op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid?

De Bijbel boven het dogma

De Bijbel leert dat God één is en dat Christus waarachtig God en waarachtig Mens is. Maar betekent dat automatisch dat het kerkelijke dogma van de drie-eenheid de juiste Bijbelse formulering is?

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid geldt in veel kerken als onaantastbaar. Wie er vragen bij stelt, wordt al snel verdacht gemaakt. Alsof elke kritische vraag automatisch betekent dat men de Godheid van Christus ontkent.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De vraag is niet of Jezus Christus waarachtig God is. De Schrift getuigt daar helder van. De vraag is ook niet of de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in de Bijbel voorkomen. Dat doen zij. De vraag is veel scherper: mag een later kerkelijk dogma bepalen hoe wij de Bijbel moeten lezen?

Daar begint het onderscheid.

Niet de kerkelijke formule moet leidend zijn, maar de Schrift. Niet de traditie boven de Bijbel, maar de Bijbel boven de traditie.

“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!” Deuteronomium 6:4 (STV)

Daar begint alle Bijbelse Godskennis: God is één. Geen veelgodendom. Geen verzameling goddelijke wezens. Geen hemelse drieheid van afzonderlijke goden. Eén God.

Paulus schrijft:

“Nochtans hebben wij maar één God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.” 1 Korinthe 8:6 (STV)

Dat is geen dorre formule. Dat is openbaring. De Schrift spreekt over God, over de Vader, over de Here Jezus Christus, over schepping, verlossing, Middelaarschap en heerlijkheid. Maar zij doet dat niet in de latere technische taal van kerkelijke dogmatiek.

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid getoetst aan de Bijbel
Niet het dogma, maar de Schrift moet leidend zijn.

Christus is geen schepsel

Laat dit eerst volstrekt helder zijn: kritiek op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid mag en kan nooit uitlopen op ontkenning van Christus’ Godheid.

Johannes begint zijn Evangelie niet voorzichtig, maar majesteitelijk:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Johannes 1:1 (STV)

En even later:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14 (STV)

Paulus zegt het eveneens krachtig:

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;” Kolossenzen 2:9 (STV)

Dat is geen taal voor een geschapen engel. Geen taal voor een verheven profeet. Geen taal voor een religieus voorbeeldfiguur. In Christus woont al de volheid der Godheid lichamelijk.

Wie dus het dogma van de drie-eenheid kritisch bevraagt, moet niet doorschieten naar arianisme, Jehova’s-getuigen-leer of moderne vrijzinnigheid. De Here Jezus Christus is niet minder dan God. Hij is de openbaring van God Zelf.

Maar juist daarom moeten wij ook voorzichtig zijn met menselijke schema’s die méér willen vastleggen dan de Schrift zelf zegt.

Het probleem zit in de kerkelijke gietmal

Het dogma van de drie-eenheid probeert de Bijbelse gegevens samen te vatten: één God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Het is begrijpelijk dat men woorden zocht om dwaalleer af te weren.

Maar daar begint ook het probleem.

De Bijbel spreekt niet in de uitgewerkte formule: drie Personen in één Wezen, alle drie eeuwig gelijk, geen eerder of later, geen meer of minder. De Bijbel geeft geen filosofische ontleding van Gods innerlijke Wezen. De Bijbel openbaart God in Zijn handelen.

God schept. God spreekt. God zendt. De Zoon komt. De Zoon gehoorzaamt. De Zoon lijdt. De Zoon sterft. God wekt Hem op. God verhoogt Hem uitermate.en Hij ontvangt de Naam boven alle naam.. De Geest wordt gezonden. De Geest verheerlijkt Christus. De verhoogde Christus is Hoofd van de Gemeente.

Dat is Bijbelse taal. Levende taal. Openbaringstaal.

Het dogma maakt daar gemakkelijk een stilstaand schema van. Alles strak op één lijn. Alles keurig ingepast. Alles afgerond. Maar de Bijbel is vaak beweeglijker, rijker en concreter dan het kerkelijke systeem verdraagt.

Dan wordt het dogma geen hulp meer, maar een mal. En een mal drukt altijd iets plat.

De vernedering van Christus mag niet worden afgevlakt

Een van de grootste bezwaren tegen een te strak drie-eenheidsdogma is dat de werkelijke vernedering van Christus gemakkelijk wordt afgevlakt.

Paulus schrijft:

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;” Filippenzen 2:6-7 (STV)

En daarna:

“En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.” Filippenzen 2:8 (STV)

Let op die woorden: vernederd, gehoorzaam geworden, tot de dood.

Dat is geen toneel. Geen schijnmensheid. Geen Goddelijk rollenspel waarin de vernedering eigenlijk niet echt is. De Zoon is werkelijk Mens geworden. Hij heeft werkelijk geleden. Hij heeft werkelijk gehoorzaamd. Hij is werkelijk gestorven.

Daarna schrijft Paulus:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;” Filippenzen 2:9 (STV)

Dat woord daarom moet blijven staan. De verhoging volgt op Zijn vernedering. De Naam wordt Hem gegeven. Dat is Bijbelse taal.

Wie dit direct gladstrijkt met “eeuwig gelijk, geen meer of minder”, loopt het risico de beweging van de tekst onschadelijk te maken. Dan wordt de vernedering van Christus leerstellig wel beleden, maar praktisch afgezwakt.

Handelingen 2:36 moet blijven spreken

Petrus zegt op de Pinksterdag:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” Handelingen 2:36 (STV)

Dat is een tekst waar men niet te snel overheen moet lezen.

Petrus zegt niet dat Jezus slechts een gewoon mens was. Hij zegt ook niet dat Jezus pas bij Zijn opstanding begon te bestaan. Maar hij zegt wel dat God deze gekruisigde Jezus tot een Heere en Christus gemaakt heeft.

Dat is verhogingstaal. Aanstellingstaal. Messiaanse taal. De door mensen verworpen Jezus is door God opgewekt en verhoogd. De gekruisigde is door God aangewezen als Heere en Christus.

Een dogma dat zulke teksten nauwelijks nog laat spreken, is te strak geworden. Dan beschermt het de Schrift niet meer. Dan dempt het de Schrift.

Vader en Zoon worden niet vlak naast elkaar gezet

De Bijbel spreekt niet alleen over eenheid, maar ook over verhouding.

Jezus zegt:

“Mijn Vader is meerder dan Ik.” Johannes 14:28 (STV)

Die tekst mag niet misbruikt worden om Christus’ Godheid te ontkennen. Maar hij mag ook niet worden weggepoetst alsof hij er eigenlijk niet staat.

De Here Jezus spreekt hier in Zijn vernederde positie. Als de Gezondene. Als de Knecht. Als de Mens Christus Jezus.

Paulus schrijft:

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Dat is leerstellig zeer belangrijk. Christus is de Middelaar. En als Middelaar staat Hij niet in een abstract schema, maar in een concrete verhouding: tussen God en mensen.

Daarom moeten wij voorzichtig zijn met taal die elke Bijbelse verhouding meteen neutraliseert. De Schrift spreekt over de Vader Die zendt, de Zoon Die gezonden wordt, de Zoon Die gehoorzaamt, de Vader Die Hem verhoogt, de Zoon Die aan de rechterhand Gods is.

Dat ontkent Zijn Godheid niet. Het bewaart juist de rijkdom van Zijn Middelaarschap.

De Geest verheerlijkt Christus

Ook de Heilige Geest is geen onpersoonlijke kracht. De Geest spreekt, leidt, leert, getuigt, overtuigt en woont in de gelovigen.

Maar opnieuw: de Bijbel spreekt anders dan de latere dogmatische formule. De Schrift geeft geen abstracte omschrijving van de Geest in technische ker taal. De Schrift laat zien wat de Geest doet.

De Geest wordt gegeven. De Geest wordt gezonden. De Geest woont in de gelovigen. De Geest verheerlijkt Christus.

Jezus zegt:

“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Johannes 16:14 (STV)

Daar ligt de Bijbelse nadruk. De Geest trekt geen aandacht los van Christus. De Geest verheerlijkt Christus. Hij maakt het werk, de woorden en de heerlijkheid van Christus bekend.

Dat is iets anders dan een dogmatisch evenwichtsschema waarin alles vooral netjes gelijkgetrokken moet worden.

De bewijsplaatsen zijn niet allemaal even sterk

In discussies over de drie-eenheid worden vaak dezelfde teksten aangehaald. Soms terecht. Soms te gemakkelijk.

Een bekend voorbeeld is 1 Johannes 5:7:

“Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.” 1 Johannes 5:7 (STV)

Deze tekst staat in de Statenvertaling, maar is tekstkritisch omstreden. Komt niet voor in de oudste manuscripten. Bovendien staat er ook niet letterlijk “Vader, Zoon en Heilige Geest”, maar “de Vader, het Woord en de Heilige Geest”. Dat is op zichzelf al een aanwijzing dat men voorzichtig moet zijn met een te snelle dogmatische bewijsvoering.

En daarmee valt de Godheid van Christus niet weg. Integendeel. Even verderop staat:

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.” 1 Johannes 5:20 (STV)

Dat is veel sterker dan een losse bewijsplaats. De Zoon van God wordt rechtstreeks verbonden met de Waarachtige en het eeuwige Leven.

De Bijbel heeft geen zwakke bewijsvoering nodig. Zij getuigt zelf krachtig genoeg van Christus.

Het gevaar van kerkelijke bewakingsdrang

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid is vaak een grenspaal geworden. Wie de formule exact nazegt, hoort erbij. Wie vragen stelt, wordt verdacht.

Maar de Bijbel vraagt niet eerst of iemand de juiste kerkelijke terminologie beheerst. De Bijbel vraagt of iemand gelooft in de Zoon van God.

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” Johannes 3:36 (STV)

Dat is het punt. Niet: beheerst iemand de latere dogmatische taal? Maar: gelooft iemand in de Zoon? Eert iemand de Zoon? Buigt iemand voor Hem als de door God verhoogde Heere?

Jezus zegt:

“Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, Die Hem gezonden heeft.” Johannes 5:23 (STV)

Dat is enorm sterk. De Zoon moet geëerd worden zoals de Vader geëerd wordt. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet.

Daar staat de Godheid en heerlijkheid van Christus stevig overeind. Maar let op: ook hier spreekt de Schrift in termen van Vader, Zoon, zending en eer. Niet in termen van een latere formule.

De Bijbel is veel rijker dan het dogma

Het probleem met de kerkelijke drie-eenheidsleer is niet dat zij Christus te hoog acht. Het probleem is dat zij de Bijbelse gegevens soms in een te strak schema perst.

De Schrift laat ons Christus zien als:

  • het Woord Dat God was;
  • de Zoon van God;
  • de Zoon des mensen;
  • de Knecht;
  • de Middelaar;
  • de Erfgenaam;
  • de Eerstgeborene uit de doden;
  • de Hogepriester;
  • de laatste Adam;
  • de verhoogde Heere;
  • het Hoofd van de Gemeente.

Al die lijnen zijn Bijbels. Al die lijnen moeten blijven staan. Geen enkele lijn mag worden weggepoetst omdat zij lastig is voor het systeem.

Wanneer het dogma zegt: “Dit past alleen als u het precies zo formuleert,” dan wordt de Bijbel onder een kerkelijke mal gelegd. Maar de Schrift moet niet door een mal. De mal moet door de Schrift worden getoetst.

Een Bijbels evenwicht

Wij hoeven dus niet te kiezen tussen kerkelijk dogmatisme en ontkenning van Christus’ Godheid. Er is een betere weg: Schriftgetrouw spreken.

Wij belijden één God.

Wij belijden dat Jezus Christus waarachtig God en waarachtig Mens is.

Wij belijden dat in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont.

Wij belijden dat Hij werkelijk vernederd is, werkelijk gehoorzaam geworden is, werkelijk gestorven is, werkelijk opgewekt is en werkelijk door God verhoogd is.

Wij belijden dat de Heilige Geest door God gegeven is, Christus verheerlijkt en in de gelovigen woont.

Maar wij weigeren om menselijke systeemtaal boven de Schrift te plaatsen.

Conclusie

Er is dus zeker wat af te dingen op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid. Niet omdat Christus minder zou zijn dan het dogma zegt, maar omdat de Schrift anders spreekt dan het dogma doet.

De Bijbel vraagt niet om een filosofisch afgerond godsmodel. De Bijbel openbaart de levende God in Christus.

Daarom moeten wij niet beginnen bij de kerkelijke formule, maar bij de Schrift.

Niet: hoe past deze tekst in het dogma?

Maar: wat zegt God hier?

Zodra het dogma de Schrift gaat corrigeren, dempen of begrenzen, is het geen bescherming meer. Dan wordt het een religieuze gietmal.

De gelovige heeft geen gietmal nodig. Hij heeft het Woord nodig.

En dat Woord getuigt helder genoeg:

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.” 1 Johannes 5:20 (STV)

Ik het eerder al geblogd over dit onderwerp:

Waarom de kerkelijke drie-eenheidsleer schuurt met de Schrift – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights