De Koran en de kruisiging van Jezus

De kruisiging van Jezus en de islam: waar het echte breekpunt ligt

De vraag of Jezus Christus werkelijk gekruisigd is, is geen detail in het gesprek tussen islam en christelijk geloof. Soera 4:157 zegt dat Jezus niet gedood en niet gekruisigd is, maar dat het slechts zo leek. Daarmee raakt de Koran niet een bijzaak, maar het hart van het evangelie. Want volgens de Schrift is Christus juist gekomen om Zijn leven te geven als rantsoen voor velen. Als het kruis wordt weggenomen, blijft er misschien nog religie over, maar geen verzoening.

Er zijn verschillen tussen islam en christelijk geloof die oppervlakkig lijken. Men spreekt over God, profeten, openbaring, oordeel, gebed en gehoorzaamheid. Daardoor ontstaat gemakkelijk de indruk dat het vooral om varianten binnen dezelfde religieuze familie gaat.

Maar dat beeld houdt geen stand zodra één vraag op tafel komt:

Is Jezus Christus werkelijk gekruisigd?

De islam zegt in Soera 4:157 dat de Joden Jezus niet hebben gedood en Hem niet hebben gekruisigd, maar dat het hun slechts zo leek. Daarmee raakt de Koran niet een randzaak, maar het hart van het christelijk geloof. Want zonder kruis is er geen verzoening. Zonder verzoening is er geen evangelie. En zonder evangelie blijft de mens in zijn schuld voor God staan.

Dit is niet zomaar een klein verschil tussen twee tradities. Dit is de breuklijn.

Soera 4 over de kruisiging van Jezus

De Koran spreekt de geschiedenis tegen

De kruisiging van Jezus behoort tot de best bevestigde feiten uit de oudheid. Niet alleen christelijke bronnen spreken erover. Ook niet-christelijke, Joodse en Romeinse bronnen bevestigen dat Jezus onder Pontius Pilatus is terechtgesteld.

Dat is belangrijk.

Want als alleen christenen over de kruisiging zouden spreken, kon men nog zeggen: dat is intern geloofsgetuigenis. Maar de kruisiging wordt juist ook bevestigd door bronnen die geen belang hadden bij de christelijke boodschap. Sterker nog: vijandige of buitenstaande getuigen hadden er geen enkele reden voor om de christelijke verkondiging te helpen.

Toch bevestigen zij dit ene feit: Jezus is gekruisigd.

Daarmee staat Soera 4:157 historisch zwak. De Koran verschijnt ruim zes eeuwen later en ontkent precies datgene wat de vroegste en breedst gedragen historische getuigenis bevestigt.

Dat is geen kleinigheid. Dat is een ernstige botsing met de werkelijkheid.

 

Waarom zou de Koran de kruisiging ontkennen?

De vraag is natuurlijk: waar komt die ontkenning vandaan?

De ontkenning van de kruisiging is niet pas met de islam ontstaan. In de eerste eeuwen na Christus waren er afwijkende stromingen die moeite hadden met een werkelijk lijdende Christus. Sommige groepen leerden dat Jezus niet echt een lichaam had, maar slechts een schijnlichaam. Anderen meenden dat niet Jezus Zelf, maar iemand anders in Zijn plaats werd gekruisigd.

Dat soort ideeën noemen we vaak docetisch: Jezus leek mens, maar was het volgens die visie niet werkelijk. Hij leek te lijden, maar leed niet echt. Hij leek gekruisigd te worden, maar dat gebeurde volgens die gedachte niet werkelijk.

Waarom ontstond zo’n leer? Omdat men het ondenkbaar vond dat de heilige, hemelse Christus werkelijk door mensenhanden vernederd, gemarteld en gekruisigd kon worden. Het kruis was te rauw. Te lichamelijk. Te vernederend.

Maar juist daar ligt de ergernis én de heerlijkheid van het evangelie.

Christus is niet gekomen om op afstand te blijven. Hij is werkelijk mens geworden. Niet schijnbaar. Niet symbolisch. Niet als toneel. Hij heeft vlees en bloed aangenomen. Hij heeft geleden. Hij is gestorven. Hij is begraven. En Hij is opgestaan.

De Koran lijkt juist aan te sluiten bij die oude ontkenning van het werkelijke lijden van Christus. Maar daarmee staat zij niet dichter bij de waarheid; zij herhaalt een oude dwaling.

 

Het kruis is geen nederlaag, maar Gods reddingsweg

Voor de islam is het kruis vaak een probleem. Hoe kan God toelaten dat Zijn profeet zo vernederd wordt? Hoe kan een gezant van God eindigen aan een kruis? Is dat geen mislukking?

De Bijbel draait die vraag volledig om.

Het kruis is geen ongeluk. Geen nederlaag. Geen mislukte missie. Het kruis is het doel van Christus’ komst.

De Heere Jezus kwam niet alleen om te leren, te waarschuwen, wonderen te doen of een voorbeeld te geven. Hij kwam om Zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen.

“Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.” Mattheüs 20:28 (STV)

Dat is de kern. Christus kwam niet alleen met een boodschap. Hij ís de boodschap. Hij kwam niet alleen om over verlossing te spreken. Hij kwam om verlossing te volbrengen.

Daarom is de ontkenning van de kruisiging zo ernstig. Wie het kruis wegneemt, neemt niet alleen een gebeurtenis weg. Hij neemt het altaar weg. Hij neemt het bloed weg. Hij neemt de betaling weg. Hij neemt het fundament onder de vergeving vandaan.

 

Adam bracht scheiding, Christus brengt verzoening

De Bijbel begint niet met de mens als neutraal wezen dat alleen wat leiding nodig heeft. De mens is gevallen. Adam zondigde. Hij ging tegen Gods gebod in. Daardoor kwam er afstand tussen God en mens.

Zonde is niet slechts een foutje. Het is opstand. Het is het zich afkeren van God. Het is de breuk met de Bron van het leven.

Daarom werd Adam uit de hof gezet. Niet omdat God willekeurig streng was, maar omdat zonde scheiding brengt. De geestelijke afstand werd zichtbaar in een fysieke verwijdering.

Sindsdien leeft de mens buiten het paradijs. Niet alleen Adam, maar zijn nageslacht. Wij worden geboren in een wereld van dood, schuld, vervreemding en gebrokenheid. Dat is geen oppervlakkig probleem dat met religieuze inspanning kan worden opgelost.

Er is verzoening nodig.

Daarom noemt de Schrift Christus de laatste Adam. Waar Adam ongehoorzaamheid bracht, bracht Christus gehoorzaamheid. Waar Adam dood bracht, bracht Christus leven. Waar Adam de mensheid in schuld en vervreemding achterliet, kwam Christus om te herstellen wat de mens zelf nooit kon herstellen.

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.” 1 Korinthe 15:22 (STV)

Het kruis is dus geen vreemd aanhangsel aan het geloof. Het is de plaats waar de tweede Adam doet wat de eerste Adam niet deed: volkomen gehoorzaam zijn tot in de dood.

 

Zonder bloed geen vergeving

De Bijbelse lijn is helder: vergeving vraagt verzoening. Schuld moet niet alleen genegeerd worden, maar gedragen. God is liefde, maar Hij is ook heilig en rechtvaardig. Hij doet niet alsof zonde niet bestaat.

Daarom loopt er door de hele Schrift een lijn van offer, bloed en plaatsvervanging.

In Genesis zien we al dat schaamte en schuld niet door menselijke bedekking worden opgelost. Adam en Eva maken zelf vijgenbladeren, maar God bekleedt hen. Later zien we offers, het Pascha, de tabernakel, de tempeldienst en de Grote Verzoendag. Al die lijnen wijzen vooruit.

Niet omdat dierenbloed op zichzelf zonde kon wegnemen, maar omdat God vooruitwees naar het ene volmaakte offer: Christus.

“En zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.” Hebreeën 9:22 (STV)

Dat is precies waarom de kruisiging onmisbaar is. Het kruis is niet alleen een martelaarsdood. Het is offer. Plaatsvervanging. Voldoening. Daar draagt Christus de schuld van zondaren.

Wie het kruis ontkent, houdt misschien nog religie over. Maar geen verzoening.

 

De Koran houdt een profeet over, maar verliest de Zaligmaker

In de islam blijft Jezus een bijzondere figuur. Hij wordt Messias genoemd. Hij wordt geboren uit Maria. Hij verricht wonderen. Hij wordt zelfs “woord” van God genoemd. Maar de beslissende werkelijkheid wordt ontkend: Hij is niet de eeuwige Zoon Die mens werd om zondaren met God te verzoenen.

Daar ontstaat een diepe innerlijke spanning.

Want als Jezus slechts een profeet is, waarom krijgt Hij dan zulke uitzonderlijke titels? Waarom wordt Hij geboren zonder menselijke vader? Waarom wordt Hij Messias genoemd? Waarom wordt Hij verbonden met Gods Woord en Geest? Waarom krijgt Hij een plaats die geen andere profeet op dezelfde manier krijgt?

De Koran gebruikt hoge taal over Jezus, maar trekt terug zodra die taal haar volle betekenis krijgt.

De Bijbel doet dat niet. De Bijbel laat Christus staan in Zijn volle heerlijkheid: waarachtig God en waarachtig mens. Niet half God en half mens. Niet een verheven schepsel. Niet slechts een boodschapper. Maar het vleesgeworden Woord.

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond.” Johannes 1:14 (STV)

Dat is de grote kloof. In de islam komt een boek naar beneden. In het evangelie komt God Zelf tot ons in de Persoon van Zijn Zoon.

 

Het Woord werd geen papier, maar vlees

Er ligt hier een belangrijk verschil.

De islam ziet de Koran als openbaring van God. Veel moslims spreken over de Koran als het woord van God. Maar het christelijk geloof zegt niet dat Gods hoogste openbaring een boekvorm aannam. Het zegt dat het Woord vlees werd.

Dat betekent: God heeft Zich niet slechts bekendgemaakt in tekst, maar in Zijn Zoon.

De Heere Jezus is niet alleen iemand die woorden van God spreekt. Hij is het Woord. Hij openbaart de Vader volkomen. Wie Hem ziet, ziet de Vader. Wie Hem verwerpt, verwerpt de Vader.

“Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien.” Johannes 14:9 (STV)

Daarom kan Jezus niet worden teruggebracht tot profeet binnen een rij van profeten. Hij is uniek. Mozes wees vooruit. De profeten wezen vooruit. Johannes de Doper wees vooruit. Maar Christus is Degene naar Wie gewezen werd.

Hij brengt niet slechts een bericht. Hij brengt verlossing.

 

Oude dwalingen in een nieuw gewaad

Veel islamitische bezwaren tegen het christelijk geloof klinken nieuw, maar zijn dat niet. De gedachte dat Jezus niet werkelijk gekruisigd is, bestond al vóór Mohammed. De gedachte dat Jezus niet werkelijk mens kon zijn, bestond ook al vroeg. De moeite met een lijdende, vernederde Christus is oud.

Maar de apostelen hebben juist dáár met kracht tegen getuigd.

“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.” 1 Korinthe 15:3-4 (STV)

Let op die woorden: naar de Schriften.

De dood en opstanding van Christus waren geen latere christelijke uitvinding. Ze stonden in de lijn van Gods openbaring. Ze waren voorzegd, voorbereid en vervuld. De apostelen verkondigden geen religieus idee, maar een gebeurtenis die in de geschiedenis heeft plaatsgevonden en door God Zelf was aangekondigd.

Daarom is het christelijk geloof niet gebouwd op een vage religieuze ervaring. Het staat of valt met historische feiten: Christus is gestorven, begraven en opgewekt.

 

De vraag is niet: klinkt de islam eenvoudig?

Soms wordt gezegd: de islam is eenvoudiger. Eén God, één profeet, één boek, duidelijke regels. Dat klinkt overzichtelijk. Maar de vraag is niet of iets eenvoudig klinkt. De vraag is of het waar is.

Een godsdienst kan strak en helder lijken en toch de kern missen. Een systeem kan logisch aanvoelen en tegelijk botsen met Gods openbaring.

Het evangelie is niet bedacht om netjes in menselijke schema’s te passen. Het evangelie vernedert de mens. Het zegt dat wij onszelf niet kunnen redden. Niet door gebed. Niet door vasten. Niet door religieuze ijver. Niet door goede werken. Niet door vrome ernst.

Wij hebben een Zaligmaker nodig.

En die Zaligmaker is niet gekomen om ons een trap te geven waarlangs wij omhoog kunnen klimmen. Hij is afgedaald. Hij heeft onze natuur aangenomen. Hij heeft onze schuld gedragen. Hij is gestorven. Hij is opgestaan.

Dat is geen religieuze ladder. Dat is genade.

 

De ergernis van het kruis

Het kruis blijft een ergernis. Voor religieuze mensen is het te vernederend. Voor morele mensen is het te radicaal. Voor trotse mensen is het te afhankelijk. Voor filosofische mensen is het te lichamelijk. Voor wettische mensen is het te genadig.

Maar juist daar openbaart God Zijn wijsheid.

“Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid; Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods.” 1 Korinthe 1:23-24 (STV)

Het kruis zegt: de mens is erger verloren dan hij wil toegeven. Maar het zegt ook: Gods genade is groter dan de mens durft hopen.

Daarom is de ontkenning van het kruis geen neutrale correctie. Het is een geestelijke amputatie. Men houdt dan een Jezus over zonder bloed, zonder offer, zonder verzoening, zonder opstanding als overwinning op een werkelijk gedragen schuld.

Dat is niet de Jezus van de Schrift.

 

De Bijbel laat geen ruimte voor een Jezus Die niet werkelijk gekruisigd is. De apostolische verkondiging staat ermee vol. De profeten wezen ernaar vooruit. De evangeliën beschrijven het. De brieven leggen het uit. Openbaring toont het Lam als geslacht.

De kruisiging is geen christelijke misvatting die later gecorrigeerd moest worden. Zij is het middelpunt van Gods heilsplan.

Daarom kan Soera 4:157 niet naast het evangelie blijven staan alsof het slechts een ander accent is. Het ontkent precies datgene waardoor zondaren behouden worden.

De vraag is uiteindelijk niet of Jezus een profeet was. De vraag is of Hij de gekruisigde en opgestane Zoon van God is.

Volgens de Schrift is Hij dat.

En daarom blijft dit de boodschap die niet ingeruild kan worden voor welk religieus systeem dan ook:

Christus is gestorven voor onze zonden.
Christus is begraven.
Christus is opgewekt.
Christus leeft.
En alleen in Hem is verzoening met God.

Pinksteren en Pasen: waarom de Geest geen losse ervaring is

Pinksteren: geen losse geest-ervaring, maar vrucht van de opstanding

Pinksteren is misschien wel één van de meest gevierde én minst begrepen momenten in het christelijke jaar.

Er wordt gezongen over de Geest. Er wordt gesproken over vuur. Over kracht. Over tongen. Over verwachting. Over “meer”. Over “kom, Heilige Geest”. En voordat je het weet, is Pinksteren veranderd in een geestelijke verlangmachine: alsof Pasen nog niet genoeg was, alsof Christus wel opstond, maar de gelovige daarna nog op een tweede pakket uit de hemel moest wachten.

Maar dat is precies waar het misgaat.

Pinksteren is niet Gods correctie op een onvolledig Pasen. Pinksteren is de openbare demonstratie van wat in de opstanding van Christus werkelijkheid is geworden. De Heilige Geest komt niet als los verkrijgbare krachtcentrale naast Christus. Hij is de Geest van de opgestane, verheerlijkte Christus. Wie Pinksteren losmaakt van Pasen, krijgt vanzelf een scheef evangelie.

En een scheef evangelie zoekt altijd naar extra’s.

Extra kracht.
Extra zalving.
Extra ervaring.
Extra vuur.
Extra tekenen.

Maar de Schrift wijst niet naar een tekort in Pasen. De Schrift wijst naar de volheid van de opgestane Christus.

Pinksteren is geen correctie op Pasen

 

De vergeten vraag bij Johannes 20

In Johannes 20 verschijnt de opgestane Heere Jezus aan Zijn discipelen. En dan staat daar een tekst die in veel Pinksterdenken ongemakkelijk in de weg zit:

“En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.” (Johannes 20:22, STV)

De vraag is eenvoudig: gebeurde er toen niets?

Zei Christus werkelijk: “Ontvangt de Heilige Geest”, terwijl zij Hem op dat moment niet ontvingen? Was dit slechts een leeg gebaar, een vooraankondiging zonder werkelijke inhoud, een soort hemelse trailer voor Handelingen 2?

Dat is moeilijk vol te houden.

De Heere Jezus blaast op hen. Dat is niet zomaar theater. Adem, wind en geest liggen in de Schrift dicht bij elkaar. De Geest is de adem van God, het leven van God, de werkzame kracht van God. En juist de opgestane Christus geeft Zijn discipelen deel aan dat leven.

Daarom moet Johannes 20 zwaar wegen. Niet omdat Handelingen 2 onbelangrijk is, maar omdat Handelingen 2 niet tegen Johannes 20 uitgespeeld mag worden.

 

De Geest is verbonden met de verheerlijking van Christus

Johannes 7 zegt dat de Heilige Geest nog niet was gegeven, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. Dat betekent niet dat de Geest in absolute zin nog niet bestond of nooit gewerkt had. De Geest werkte in de schepping, sprak door de profeten en was werkzaam in Gods openbaring. Maar de gave van de Geest als nieuwtestamentische werkelijkheid hangt samen met de verheerlijking van Christus.

En wanneer wordt Christus verheerlijkt?

Niet pas op Pinksteren.

De lijn in het Johannesevangelie loopt naar het kruis, door het kruis heen, naar de opstanding. De Zoon wordt verhoogd. De dood wordt overwonnen. De Eersteling staat op uit de doden. De nieuwe schepping breekt aan.

Daarom zegt Petrus later niet: “Pinksteren is het grote middelpunt.” Hij predikt Christus. Hij predikt de gekruisigde en opgestane Heere. Hij predikt dat God Hem heeft opgewekt. Hij predikt dat David in Psalm 16 profetisch sprak over de opstanding van Christus.

Pinksteren is niet het centrum. Christus is het centrum.

 

Petrus preekt op Pinksteren vooral Pasen

Dat is een punt dat vaak ondergesneeuwd raakt. In Handelingen 2 gebeurt iets indrukwekkends: geluid als van een geweldige gedreven wind, verdeelde tongen als van vuur, spreken in andere talen. En toch blijft Petrus niet hangen bij de verschijnselen.

Hij verklaart ze. Maar daarna gaat hij onmiddellijk naar Christus.

Hij zegt dat Jezus door mensen gekruisigd is, maar naar Gods bepaalde raad en voorkennis. Hij zegt dat God Hem heeft opgewekt. Hij verklaart uit Psalm 16 dat de dood Hem niet kon houden. Niet omdat Petrus een emotionele ervaring had, maar omdat de Schrift het gezegd had.

Dat is Schriftlogica.

De dood kon Christus niet houden, omdat God had voorzegd dat Zijn Heilige geen verderving zou zien. Gods Woord bepaalde de uitleg van het gebeuren. Niet de ervaring. Niet de verwondering van de menigte. Niet het verschijnsel van tongen. Niet het geluid van de wind.

Het Woord verklaarde het teken.

Daar zit een les in voor vandaag.

Waar de ervaring het Woord gaat verklaren, ontstaat verwarring. Waar het Woord de ervaring verklaart, komt helderheid.

 

Pinksteren is geen herhaalbare blauwdruk

Een grote fout is dat Handelingen 2 wordt behandeld als een handleiding voor vandaag. Alsof de gemeente terug moet naar Pinksteren. Alsof het normale christelijke leven bestaat uit het opnieuw najagen van die zichtbare tekenen.

Maar Handelingen beschrijft een overgangstijd. Een heilshistorisch scharnierpunt. Een unieke publieke demonstratie dat de verhoogde Christus Zijn beloofde Geest gegeven heeft.

Dat is iets anders dan een blauwdruk.

Natuurlijk werkt de Heilige Geest vandaag. Zonder de Geest is er geen geloof, geen wedergeboorte, geen verstaan van Gods Woord, geen heiliging, geen geestelijk leven. Maar dat betekent niet dat de uiterlijke tekenen van Handelingen 2 de norm zijn voor de gemeente in elke tijd.

De norm voor de gemeente ligt niet in het kopiëren van de tekenen van Handelingen. De norm ligt in de leer van de apostelen, verder uitgewerkt in de brieven.

En juist daar valt op hoe nuchter het Nieuwe Testament is.

Niet: jaag op vuur.
Niet: zoek een tweede Pinksteren.
Niet: bewijs uw geestelijkheid met tongentaal.
Niet: wacht op een nieuwe uitstorting.

Maar: wandel door de Geest. Word vervuld met de Geest. Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen. Spreek tot elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Stel uw lichaam tot een levend offer. Houd Christus vast als Hoofd.

Dat is veel minder spectaculair voor het vlees. Maar veel gezonder voor de gemeente.

 

Vervuld met de Geest is niet los van het Woord

Een belangrijk misverstand is dat “vervuld worden met de Geest” vaak wordt losgetrokken van het Woord. Dan wordt het een sfeer. Een gevoel. Een moment. Een stroom. Een druk in de zaal. Een emotionele golf.

Maar Paulus zet de zaak anders uiteen.

In Efeze 5 spreekt hij over vervuld worden met de Geest. In Kolossenzen 3 spreekt hij over het rijkelijk wonen van het Woord van Christus. De uitwerking is opvallend gelijk: spreken met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.

Dat is geen toeval.

De Geest werkt niet buiten Christus om. En de Geest werkt niet buiten het Woord om. De Geest verheerlijkt Christus, neemt uit Christus, wijst op Christus en opent het Woord van Christus.

Daarom is een gemeente niet geestelijker naarmate er meer religieuze spanning in de lucht hangt. Een gemeente is gezond wanneer het Woord van Christus rijkelijk woont in haar midden.

Niet arm aan Schrift en rijk aan beleving.
Maar rijk aan Schrift, en daardoor werkelijk geestelijk.

 

Tongentaal was een teken, geen statussymbool

Handelingen 2 spreekt over talen. Niet over onverstaanbaar religieus geluid als bewijs van diepere geestelijkheid. De mensen horen in hun eigen taal de grote werken Gods spreken. Dat is precies het punt: God laat iets horen.

Maar ook waar Paulus later over tongen spreekt, is hij bepaald niet bezig met een romantisering van tongentaal. In 1 Korinthe 14 wordt juist duidelijk dat onverstaanbare taal de gemeente niet opbouwt als zij niet uitgelegd wordt. Profetisch verstaanbaar spreken is nuttiger dan religieus geluid waar niemand iets mee kan.

Tongen zijn een teken. Geen speeltje. Geen keurmerk. Geen geestelijke medaille. Geen bewijs dat iemand méér heeft dan een gewone gelovige.

Wie van tongentaal een geestelijke ladder maakt, heeft de bedoeling van het teken gemist.

De Heilige Geest kwam niet om gelovigen indrukwekkend te laten klinken. Hij kwam om Christus te verheerlijken en Gods Woord krachtig te laten spreken.

 

Leviticus 23: Pinksteren begint bij de eerstelingsgarf

Pinksteren hangt in de Schrift samen met de hoogtijden van de HEERE. In Leviticus 23 wordt eerst de eerstelingsgarf gebracht. Die wordt bewogen op de dag na de sabbat, op de eerste dag van de week, tijdens het feest van de ongezuurde broden.

Dat beeld is rijk.

De eerstelingsgarf wijst op Christus in Zijn opstanding. Hij is de Eersteling uit de doden. De graankorrel is in de aarde gevallen en gestorven, maar heeft vrucht voortgebracht. Pasen is daarom niet slechts de herinnering aan een wonder uit het verleden. Pasen is het begin van de nieuwe schepping.

Vanaf die dag worden 50 dagen geteld. Dan komen de twee beweegbroden. Die broden worden eveneens aan de HEERE voorgesteld. Zij zijn gemaakt van de eerste opbrengst van de oogst.

Daarin ligt een diepe lijn: de gemeente komt voort uit de opstanding van Christus. Niet uit menselijke religie. Niet uit Israël dat zichzelf vernieuwt. Niet uit wereldverbetering. Niet uit een charismatische golf. Maar uit Christus, de Eersteling.

De gemeente leeft omdat Hij leeft.

 

Gedesemde broden: heilig voor God, maar nog niet volmaakt

Opvallend is dat de twee beweegbroden gedesemd zijn. Normaal heeft zuurdeeg in de Schrift vaak een negatieve betekenis: bederf, zonde, valse leer, religieuze besmetting. Maar juist bij deze broden is zuurdeeg aanwezig.

Dat is veelzeggend.

De gemeente is van Christus. De gelovigen zijn geheiligd in Hem. Zij behoren God toe. Maar zij dragen nog het oude lichaam met zich mee. De zonde heerst niet meer, maar zij is nog wel aanwezig. Genade heerst, maar de oude natuur is nog niet verdwenen.

Daarom is de gemeente nu geen triomferende volmaaktheidsmachine op aarde. Zij is een hemels geroepen volk in een vernederd lichaam. Zij is aan God voorgesteld, maar nog onderweg. Zij is van Christus, maar wacht nog op de verlossing van het lichaam.

Dat maakt ook korte metten met allerlei overwinningsretoriek alsof de gemeente nu al zichtbaar het Koninkrijk moet neerzetten. De gemeente is niet geroepen om de wereld te dopen in christelijke make-up. Zij is geroepen om Christus te belijden, Zijn Woord te bewaren en buiten de legerplaats Zijn smaadheid te dragen.

 

Geen Kingdom Now, maar Christus nu verborgen

Een belangrijk punt bij Pinksteren is dit: de verhoogde Christus is nu verborgen in de hemel. Hij regeert, ja. Hij is Heere, ja. Alle macht is Hem gegeven, ja. Maar Zijn koninkrijk wordt nu niet zichtbaar door de gemeente als politieke, culturele of religieuze machtsfactor op aarde.

Deze tijd wordt gekenmerkt door verborgenheid.

Christus is verworpen door de wereld. De wereld heeft Hem niet gekend. De Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij is gekruisigd buiten de poort. En de gelovige wordt niet geroepen om van Egypte een christelijk recreatiepark te maken, maar om uit te gaan tot Hem.

Dat botst met moderne koninkrijksretoriek.

“Wij moeten het Koninkrijk zichtbaar maken.”
“Wij moeten de cultuur transformeren.”
“Wij moeten de hemel op aarde brengen.”
“Wij moeten de wereld claimen.”

Het klinkt krachtig. Het klinkt actief. Het klinkt bijna apostolisch. Maar het mist de ernst van de huidige bedeling: Christus is verborgen, en de gemeente leeft in verbondenheid met een verworpen Heer.

De gemeente is geen religieuze projectontwikkelaar van een zichtbaar koninkrijk. Zij is het lichaam van Christus, geroepen uit deze wereld, gevoed door het Woord, geleid door de Geest, wachtend op de wederkomst.

 

De gevaarlijke roep om “meer”

Veel Pinksterverwarring begint met één klein woord: meer.

Meer Geest.
Meer vuur.
Meer zalving.
Meer kracht.
Meer tekenen.
Meer manifestatie.

Maar achter dat woord kan een gevaarlijke suggestie schuilgaan: dat Christus niet genoeg gegeven heeft. Dat de gelovige in Hem nog wezenlijk tekortkomt. Dat Pasen wel vergeving bracht, maar niet volheid. Dat men naast Christus nog een apart geestelijk niveau nodig heeft.

Dat klinkt vroom, maar het is gevaarlijk.

Want de gelovige is niet arm omdat hij te weinig spektakel heeft. Hij wordt arm wanneer hij niet leeft uit wat hij in Christus ontvangen heeft. De oplossing is dan niet een nieuwe uitstorting, maar terugkeer naar de volheid van Christus zoals die in het Woord wordt geopenbaard.

De Geest maakt niet los van Christus.
De Geest maakt vast aan Christus.

De Geest trekt de aandacht niet naar Zichzelf als aparte ervaring.
De Geest verheerlijkt de Zoon.

De Geest geeft geen religieuze mistmachine.
De Geest opent het Woord.

 

Pinksteren is de vrijmoedigheid van de verkondiging

Wat verandert er dan zichtbaar op Pinksteren?

Er wordt gesproken.

Dat is de grote lijn. De discipelen zwijgen niet langer.

Zij getuigen.

Petrus staat op.

De Schriften gaan open.

Christus wordt verkondigd.

De opstanding wordt uitgelegd.

De menigte wordt aangesproken.

De Naam van de Heer wordt gepredikt.

Dát is de vrucht van de Geest: niet religieuze zelfvergroting, maar Christusverkondiging.

De Geest maakt van bange discipelen getuigen van de opgestane Christus.

Niet getuigen van hun eigen diepe innerlijke proces.

Niet getuigen van hun bijzondere geestelijke niveau.

Niet getuigen van hun tongentaalervaring.

Maar getuigen van Hem.

Daar ligt een scherpe correctie voor vandaag.

Veel moderne geestelijkheid is ik-gericht. Mijn ervaring. Mijn zalving. Mijn droom. Mijn bediening. Mijn profetie. Mijn doorbraak. Mijn vuur.

Maar de apostolische prediking is Christusgericht.

Zijn kruis.
Zijn opstanding.
Zijn verhoging.
Zijn Naam.
Zijn belofte.
Zijn wederkomst.

Dat is Pinksteren zonder geestelijke opsmuk.

 

Wat Pinksteren vandaag betekent

Pinksteren betekent niet dat wij moeten wachten tot de Heilige Geest eindelijk weer komt. Hij is gegeven. De gelovige leeft uit de Geest van de opgestane Christus.

Pinksteren betekent niet dat de gemeente terug moet naar Handelingen 2 als blauwdruk. Handelingen 2 is een uniek heilshistorisch tekenmoment.

Pinksteren betekent niet dat tongentaal het bewijs is van geestelijke volheid. Het Nieuwe Testament zelf corrigeert dat misverstand.

Pinksteren betekent niet dat de gemeente het Koninkrijk zichtbaar moet vestigen. Christus is nu verborgen, en de gemeente wordt gevormd in verbondenheid met Hem.

Pinksteren betekent wel dat Christus leeft. Dat Hij verhoogd is. Dat de beloofde Geest gegeven is. Dat het Woord nu met vrijmoedigheid verkondigd mag worden. Dat de gemeente leeft uit de Eersteling. Dat gelovigen hun lichaam mogen stellen tot een levend offer. Dat het Woord van Christus rijkelijk in hen mag wonen.

Dat is minder spectaculair dan veel moderne Pinksterretoriek.

Maar het is veel steviger.

 

Slot: geen tweede fase, maar volheid in Christus

Wie Pinksteren losmaakt van Pasen, krijgt een religieuze zoektocht naar aanvulling. Wie Pinksteren vanuit Pasen begrijpt, ziet de rijkdom van de opgestane Christus.

De Heilige Geest is niet gekomen om Christus aan te vullen, alsof Zijn opstanding nog niet genoeg was. De Geest is gegeven omdat Christus is opgestaan en verheerlijkt. Hij past toe wat Christus verworven heeft. Hij opent het Woord. Hij verheerlijkt de Zoon. Hij vormt de gemeente. Hij doet spreken van de grote werken Gods.

Daarom heeft de gemeente geen nieuw Pinksteren nodig.

Zij heeft nodig dat zij ophoudt met jagen naar geestelijke extra’s en opnieuw gaat leven uit de volheid van Christus.

Niet terug naar de tekenen als norm.
Niet vooruit naar een zelfgebouwd koninkrijk.
Maar omhoog naar de verborgen Christus.
En vandaaruit: wandelen door de Geest, geworteld in het Woord, wachtend op Zijn komst.

Zie ook:

pinksteren – Bijbelse basis

 

 

 

 

Stelt de Heilige Geest ons in staat de wet te vervullen?

Hoeveel misvatting kun je in één zin kwijt?

“De Heilige Geest stelt ons in staat om de wet te vervullen.”

Dat hoorde ik zojuist beweren in een pinksterpreek.

Welke wet, op welke manier, en onder welk verbond?

Want zodra deze uitspraak betekent dat de gelovige door de Heilige Geest alsnog wordt teruggeleid naar de wet van Mozes als leefregel, zitten we niet meer bij Paulus. Dan zitten we bij een evangelische variant van Sinaï. Een christelijk aangeklede terugkeer naar het juk waarvan Christus ons juist heeft vrijgemaakt.

Het klinkt vroom: vroeger konden wij de wet niet houden, maar nu hebben wij de Geest en kunnen wij het wél.

Maar is dat de Bijbelse boodschap?

Paulus zegt niet: vroeger onder de wet zonder kracht, nu onder de wet mét kracht. Paulus zegt:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14 (STV)

Niet: onder de wet met Geestelijke ondersteuning.
Niet: onder Sinaï met Pinksterkracht.
Niet: Mozes, maar dan uitvoerbaar gemaakt door de Geest.

Maar:

niet onder de wet, maar onder de genade.

Daar begint de correctie.

Stelt de heilige geest ons in staat de wet te vervullen?

 

De valstrik van een Bijbels klinkende zin

De uitspraak is verraderlijk omdat zij dicht langs Romeinen 8:4 schuurt.

Paulus schrijft:

“Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.” Romeinen 8:4 (STV)

Daar grijpt men dan naar: zie je wel, het recht van de wet wordt vervuld in ons. Dus de Heilige Geest stelt ons in staat om de wet te vervullen.

Maar dat is te snel. Veel te snel.

Want Paulus zegt niet dat de gelovige weer onder de wet wordt geplaatst om die nu, met hulp van de Geest, alsnog als leefregel af te werken. Hij zegt dat het recht der wet vervuld wordt in hen die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

Dat is iets anders.

Het gaat niet om een terugkeer naar de wet als verbondssysteem. Het gaat om een wandel door de Geest waarin Gods rechtvaardige bedoeling niet wordt geschonden, maar zichtbaar wordt als vrucht van het nieuwe leven.

De Geest maakt van de wet geen christelijke loopband.
De Geest werkt Christus’ leven uit in hen die niet onder de wet, maar onder de genade zijn.

 

Paulus nekt de misvatting zelf

Wie beweert dat de Heilige Geest ons onder de wet brengt om haar te vervullen, moet langs Galaten 5 heen. En dat lukt niet.

Paulus schrijft:

“Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.” Galaten 5:18 (STV)

Dat vers is eenvoudig. Bijna hinderlijk eenvoudig.

 

Door de Geest geleid? Dan niet onder de wet.

Dus de Geest is niet gegeven om de gelovige terug onder de wet te plaatsen. De Geest is juist kenmerkend voor een andere sfeer: niet de sfeer van Sinaï, maar van Christus; niet de bediening van de letter, maar van het leven; niet de slavernij, maar de vrijheid.

Daarom is de uitspraak “de Heilige Geest stelt ons in staat de wet te vervullen” op zijn minst riskant. Zij kan waar klinken, maar verkeerd werken. Zij kan vroom beginnen en wettisch eindigen.

Want in de praktijk wordt het vaak dit:

Christus verlost mij van de vloek van de wet.
De Geest helpt mij daarna om de wet alsnog als leefregel te houden.

Dat is geen genadeleer. Dat is Galatianisme met een Pinksterjas aan.

 

Niet onder de wet, maar onder de genade

Paulus zegt:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14 (STV)

Dat is geen los staande tekst. Dat is een principiële uitspraak over de positie van de gelovige. De gelovige staat niet meer onder (het regime van) de wet. Hij staat onder genade.

Dat is waar veel verwarring ontstaat. Men denkt dat genade wel goed is voor vergeving, maar dat de wet daarna nodig is voor heiliging. Alsof genade de voordeur is en de wet de woonkamer. Alsof Christus binnenbrengt, maar Mozes daarna het huis bestuurt.

Maar Paulus doet dat niet.

Hij schrijft niet:

de zonde zal over u niet heersen, want de Geest stelt u nu in staat de wet te houden.

Hij schrijft:

de zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.

Dat is de omgekeerde redenering van veel prediking.

 

De wet is heilig, maar zij is niet de leefregel van de gelovige

Nu moet niemand een karikatuur maken. De wet zelf is niet slecht.

Paulus zegt:

“Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.” Romeinen 7:12 (STV)

En:

“Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” Romeinen 7:14 (STV)

De wet is heilig. De wet is rechtvaardig. De wet is goed. Het probleem ligt niet in de wet, maar in de mens. De wet eist, openbaart, veroordeelt en toont zonde. Maar zij geeft geen leven, geen kracht, geen vrijheid.

Daarom zegt Paulus ook:

“Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.” Romeinen 8:3 (STV)

Let goed op: Paulus zegt niet dat God de wet nu alsnog krachtig heeft gemaakt als leefregel. Hij zegt dat God Zijn Zoon gezonden heeft. De oplossing is niet de wet plus Geestelijke bekrachtiging. De oplossing is Christus.

De wet kon niet tot stand brengen wat Christus gedaan heeft.

 

Romeinen 8:4 is geen terugkeer naar Sinaï

Romeinen 8:4 wordt vaak gebruikt als sluiproute terug naar de wet.

“Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.” Romeinen 8:4 (STV)

Maar let op de formulering.

Er staat niet: opdat wij onder de wet zouden worden gesteld.
Er staat niet: opdat wij de wet van Mozes als christelijke leefregel zouden onderhouden.
Er staat niet: opdat wij met hulp van de Geest de Sinaï-code zouden uitvoeren.

Er staat:

opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons.

Dat gebeurt niet door terugkeer naar de letter, maar door wandel naar de Geest. Niet door onder de wet te staan, maar juist doordat de gelovige in Christus is.

De wet vroeg rechtvaardigheid, maar kon die niet geven. Christus heeft gedaan wat de wet niet vermocht. En de Geest werkt in de gelovige een leven dat niet tegen Gods heiligheid ingaat, maar vrucht draagt tot God.

Niet wet als systeem.
Niet wet als juk.
Niet wet als verbondscontract.
Maar Christus als leven, de Geest als kracht, genade als sfeer.

 

De wet als leefregel klinkt vroom, maar berooft genade van haar vrijheid

Hier zit het venijn.

Men zegt: “Wij zijn niet door de wet gerechtvaardigd, maar de wet blijft wel onze leefregel.”

Dat klinkt netjes. Orthodox. Veilig.

Maar Paulus is veel scherper. Hij zegt:

“Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.” Romeinen 7:4 (STV)

Niet: gij zijt der wet gedood om daarna door de Geest beter onder de wet te leven.

Nee:

“opdat gij zoudt worden eens Anderen”

Van Wie? Van Christus, Die uit de doden opgewekt is.

En met welk doel?

“opdat wij Gode vruchten dragen zouden.”

De vrucht komt niet uit een vernieuwde relatie met de wet. De vrucht komt uit verbondenheid met de opgestane Christus.

Daarna zegt Paulus:

“Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.” Romeinen 7:6 (STV)

Dat is een bevrijding.

Niet dienen in de oudheid der letter.
Maar dienen in nieuwigheid des geestes.

 

Galatianisme met Geestelijke taal

De gevaarlijkste vorm van wetticisme zegt niet altijd: u moet de wet houden om behouden te worden.

Dat is te herkenbaar.

De subtielere vorm zegt: u bent uit genade behouden, maar nu geeft de Geest u kracht om de wet te vervullen.

En daar moet je wakker worden.

Want dan wordt genade de startmotor en de wet de rijbaan. Christus opent de deur, Mozes neemt het stuur over, en de Heilige Geest wordt gereduceerd tot brandstof voor een reis terug naar Sinaï.

Dat is geestelijke verwarring.

Paulus schrijft aan de Galaten:

“Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” Galaten 3:3 (STV)

En daarvoor:

“Dit alleen wil ik van u leren: hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?” Galaten 3:2 (STV)

Dat is de vraag die men vandaag opnieuw moet stellen.

Hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet?
Nee.

Waarom zou de Geest u dan vervolgens terugbrengen onder datzelfde systeem?

De Geest werd niet ontvangen uit de werken der wet, maar uit de prediking des geloofs. En de wandel door de Geest blijft op diezelfde genadegrond staan.

 

De liefde vervult de wet, maar liefde is geen terugkeer onder de wet

Nu zal iemand zeggen: maar Paulus schrijft toch dat de liefde de wet vervult?

Ja.

“Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld.” Romeinen 13:8 (STV)

En:

“Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.” Galaten 5:14 (STV)

Maar ook hier moet je scherp lezen.

Paulus zegt niet: ga terug onder de wet. Hij zegt dat liefde doet wat de wet eiste zonder dat de gelovige onder het wetssysteem staat. Liefde is niet de christelijke verpakking van Mozes. Liefde is vrucht van de Geest.

Direct na Galaten 5:14 zegt Paulus niet: onderhoud dus de wet.

Hij zegt:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” Galaten 5:16 (STV)

En even later:

“Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.” Galaten 5:22 (STV)

De liefde komt dus niet voort uit wet als juk, maar uit de Geest als vrucht.

Dat is een wereld van verschil.

 

De Geest werkt vrucht, geen wettische prestatie

De Geest is niet gegeven als hemelse krachtcentrale om de oude mens nu eindelijk religieus productief te maken.

De Geest werkt vanuit Christus. Hij verheerlijkt Christus. Hij past het Woord toe. Hij doet de gelovige wandelen in nieuwheid des levens. Hij brengt vrucht voort die de wet niet kon produceren.

De wet zegt: doe en leef.
De genade zegt: leef, en wandel nu waardig.

De wet eist vrucht van een dorre boom.
De genade geeft leven in Christus en brengt vrucht voort door de Geest.

De wet zegt: gij zult.
De Geest werkt: Christus in u.

Dat is geen semantisch verschil. Dat is het verschil tussen slavernij en vrijheid.

 

Geen antinomianisme

Nu komt de bekende beschuldiging: “Maar als je zegt dat de gelovige niet onder de wet is, krijg je losbandigheid.”

Dat is precies de vraag die Paulus zelf al ondervangt.

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” Romeinen 6:15 (STV)

Paulus kent de verdraaiing. Maar let op: hij corrigeert losbandigheid niet door de gelovige terug onder de wet te zetten. Hij zegt niet: o, als u dat denkt, moet u toch weer Mozes als leefregel nemen.

Nee. Hij houdt vast aan de genadepositie en werkt vanuit de vereniging met Christus.

De gelovige is met Christus gestorven. De oude mens is gekruisigd. De gelovige leeft voor God in Christus Jezus. Daarom moet hij niet wandelen naar het vlees, maar door de Geest.

Dat is geen wetteloosheid. Dat is hoger dan wet. Niet lager.

 

De leefregel van de gelovige is Christus

De vraag is dus niet: heeft de gelovige dan geen leefregel?

Natuurlijk wel.

Maar die leefregel is niet de wet van Mozes als verbondssysteem. De leefregel van de gelovige is Christus Zelf, toegepast door de Geest, onderwezen door de apostolische leer, in de sfeer van genade.

Johannes schrijft:

“Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.” 1 Johannes 2:6 (STV)

Paulus schrijft:

“Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;” Efeze 5:1 (STV)

En:

“En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk.” Efeze 5:2 (STV)

Dat is de toon van het Nieuwe Testament.

Niet: terug naar de stenen tafelen als centrale leefregel.
Maar: wandelen waardig de roeping, wandelen in liefde, wandelen als kinderen des lichts, wandelen door de Geest, wandelen zoals Christus gewandeld heeft.

Dat is geen mindere norm. Dat is een hogere Persoon.

 

De wet vraagt, Christus geeft

Dit is de kern.

De wet vraagt gerechtigheid.
Christus is onze gerechtigheid.

De wet legt schuld bloot.
Christus draagt schuld weg.

De wet veroordeelt de zondaar.
Christus rechtvaardigt de goddeloze die gelooft.

De wet toont wat de mens moet zijn.
Christus is wat de gelovige voor God geworden is.

De wet zegt: doe dit en gij zult leven.
Christus zegt: Ik leef, en gij zult leven.

De Geest is niet gegeven om de gelovige terug te brengen naar het systeem dat hem veroordeelde. De Geest is gegeven omdat de gelovige in Christus is en nu mag leven uit een nieuwe positie.

 

Wat dan met “het recht der wet”?

Romeinen 8:4 blijft belangrijk. Maar het moet op Paulus’ manier gelezen worden.

Het recht der wet wordt vervuld in ons die wandelen naar de Geest. Dat betekent: de rechtvaardige eis van God wordt niet genegeerd. Genade is geen morele afvalbak. De Geest brengt geen wetteloosheid voort.

Maar dit vervullen gebeurt niet doordat de gelovige onder de wet wordt gezet. Het gebeurt doordat hij in Christus leeft en door de Geest wandelt.

Daarom is de zuiverste formulering niet:

De Heilige Geest stelt ons in staat de wet te vervullen.

Maar:

De Heilige Geest doet de gelovige wandelen in overeenstemming met Gods wil, terwijl hij niet onder de wet staat maar onder de genade; en in die wandel wordt het recht der wet vervuld.

Dat is langer. Minder pakkend. Minder geschikt voor een snelle preekzin.

Maar wel Bijbels.

 

Waarom de korte uitspraak gevaarlijk is

De zin “de Heilige Geest stelt ons in staat de wet te vervullen” is gevaarlijk omdat hij te veel open laat.

Hij kan betekenen: de Geest brengt vrucht voort in de gelovige, zodat Gods rechtvaardige wil zichtbaar wordt. Dan is er veel goeds in te herkennen.

Maar hij kan ook betekenen: de Geest plaatst de gelovige terug onder de wet van Mozes als normatieve leefregel. Dan is het fout.

En helaas is dat laatste vaak wat er praktisch gebeurt. Eerst zegt men: wij zijn uit genade behouden. Daarna zegt men: de wet is onze leefregel. Vervolgens zegt men: de Geest helpt ons die wet te vervullen. En voordat je het weet, staat de gelovige weer onder een religieuze meetlat die Paulus juist heeft weggenomen.

Dan wordt de Geest gebruikt om de wet opnieuw binnen te dragen.

Alsof Pinksteren de lift terug naar Sinaï is.

Dat is het niet.

De Heilige Geest is niet gegeven om van de gelovige een betere wetshouder te maken onder het oude verbond. Hij is gegeven aan hen die in Christus zijn, die niet onder de wet staan maar onder de genade.

De Geest leidt niet terug naar de slavernij van de letter, maar doet wandelen in nieuwheid des levens.

Daarom moet deze uitspraak worden gefileerd.

Niet omdat heiliging onbelangrijk is.
Niet omdat gehoorzaamheid bijzaak is.
Niet omdat liefde vrijblijvend is.

Maar omdat de Schrift de gelovige niet onder Mozes plaatst met de Geest als hulpmotor. De Schrift plaatst de gelovige in Christus, onder genade, geleid door de Geest, tot vrucht voor God.

Dus nee, niet zo:

De Geest stelt ons in staat de wet te vervullen.

Maar zo:

De Geest doet ons wandelen in Christus, niet onder de wet maar onder de genade; en juist zo wordt het recht der wet vervuld.

Dat is geen wetteloosheid.

Dat is Paulus.

lees ook:

wet – Bijbelse basis

extern:

 de wet 

Geverifieerd door MonsterInsights