Kapstok prediking is bijvoorbeeld dit

Wanneer een Bijbeltekst een kapstok wordt

Over genezing, geloof en het gevaar van losse bewijsverzen

Soms klinkt een boodschap op het eerste gehoor krachtig, Bijbels en vol geloof. Er worden bekende woorden gebruikt: “Het is volbracht,” “door Zijn striemen bent u genezen,” “Jezus heeft de prijs betaald.” Wie zou daar bezwaar tegen willen maken? Het zijn immers Bijbelse woorden. En toch kan daar een groot probleem zitten.>Niet elke boodschap waarin Bijbelteksten voorkomen, is daarmee  automatisch ook Bijbelse prediking. Een tekst kan heel eenvoudig gebruikt worden als kapstok: men hangt er een leerstelling aan op die niet  uit de tekst zelf voortkomt. De tekst wordt niet uitgelegd, maar gebruikt als springplank voor een vooraf gekozen boodschap. Inlegkunde wordt zo iets ook wel genoemd.
Een kort fragment over genezing  uit een preek van Johan Toet laat goed zien hoe dat dan gaat. De boodschap komt hierop neer:

“U bent genezen. Door Zijn striemen bent u genezen. Het is voltooid verleden tijd.

Dat klinkt nogal autoritair. Maar is het ook Bijbels verantwoord?

kapstokprediking
Wanneer een Bijbeltekst een kapstok wordt

Wat is kapstokprediking?

Kapstokprediking hebben we het over wanneer een Bijbeltekst niet zorgvuldig in zijn verband wordt gelezen, maar wordt gebruikt om een thema te dragen dat er gedeeltelijk of helemaal overheen wordt gelegd.
Er wordt dan bijvoorbeeld gewerkt met bekende woorden of zinnen:

“Door Zijn striemen bent u genezen.”
“Het is volbracht.”
“Jezus is de Bevrijder.”
“De duivel is de overweldiger.”

Op zichzelf zijn dat geen verkeerde woorden. Het probleem zit in de manier waarop ze verbonden worden. De vraag is niet alleen: komen deze woorden ergens in de Bijbel voor? De vraag is: worden ze gebruikt zoals de Bijbel ze gebruikt?
Dat is een cruciaal verschil.
De tekst wordt niet uitgelegd, maar ingezet.
In de gelinkte video wordt Jesaja 53 of 1 Petrus 2:24 gebruikt om te stellen dat de gelovige nu al lichamelijk genezen is. Het argument is: Christus heeft geleden, dus genezing is al voltooid. Niet iets wat Hij nog moet doen, maar iets wat al vaststaat.
Maar 1 Petrus 2:24 zegt:

“Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.”
1 Petrus 2:24 STV

De context gaat niet over een vermeende garantie op lichamelijke gezondheid in dit leven. Petrus spreekt over zonde, gerechtigheid, lijden, navolging en geestelijk herstel. De genezing waarover hij spreekt, staat in direct verband met het dragen van onze zonden en het leven voor de gerechtigheid.
Dat betekent niet dat God niet lichamelijk geneest. Natuurlijk kan Hij dat. De Schrift getuigt daar duidelijk van. Maar het is iets anders om te zeggen: God kan genezen, dan om te zeggen: iedere gelovige is nu al lichamelijk genezen, omdat het voltooid verleden tijd is.
Dat laatste legt de tekst meer op dan hij zegt.
“Het is volbracht” wordt breder getrokken dan de tekst toelaat
Ook de woorden van de Heere Jezus aan het kruis worden in dit soort prediking vaak gebruikt als totaalclaim voor alles wat de gelovige nu zou moeten bezitten: vergeving, overwinning, voorspoed, gezondheid, bevrijding, herstel.
Maar wanneer Christus zegt: “Het is volbracht,” spreekt Hij over het werk dat de Vader Hem gegeven had om te doen. Zijn offer is volkomen. De schuld is betaald. De verzoening is tot stand gebracht.
Dat is heerlijk en onaantastbaar.
Maar de Bijbel leert óók dat de volle uitwerking van Christus’ werk nog toekomstig is. Paulus schrijft:

“En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.”
Romeinen 8:23 STV

Let op die woorden: wij verwachten nog de verlossing van ons lichaam. De gelovige is werkelijk verlost, maar leeft nog in een sterfelijk lichaam. Daarom worden gelovigen ziek. Daarom worden gelovigen zwak. Daarom sterven gelovigen nog.
Wie zegt dat lichamelijke genezing nu al op dezelfde wijze voltooid bezit is als vergeving van zonden, schuift de toekomstige heerlijkheid naar het heden.
Ziekte wordt te simpel demonisch genoemd
Een ander ernstig probleem is de uitspraak dat ziekte demonisch is. In het fragment wordt gezegd dat ziekte met de zondeval gekomen is, en vervolgens: “maar het is gewoon demonisch… ziekte is demonisch.”

Dat is veel te kort door de bocht.
De Bijbel laat inderdaad zien dat sommige ziektegevallen verbonden kunnen zijn met demonische gebondenheid. Maar de Bijbel zegt nergens dat alle ziekte demonisch is.
Timotheüs had lichamelijke zwakheden. Paulus schrijft hem:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.”
1 Timotheüs 5:23 STV

Paulus zegt niet:

“Timotheüs, je moet de demon van maagklachten uitwerpen.”

Hij geeft praktisch, lichamelijk advies.
Ook lezen we:

“Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.”
2 Timotheüs 4:20 STV

Dat moet opvallen. Paulus, door wie God bijzondere wonderen had gedaan, liet een medewerker ziek achter. Als genezing altijd al als zichtbaar bezit geclaimd moest worden, is dit moeilijk te verklaren.
De Schrift is nuchterder dan veel genezingsprediking.

De pastorale schade is groot

Dit soort prediking klinkt misschien moedig, maar kan voor zieke gelovigen buitengewoon belastend zijn.
Want als gezegd wordt: “U bent genezen”, wat moet iemand dan met zijn pijn, diagnose, beperking of chronische ziekte?
Als gezegd wordt: “Ziekte is demonisch”, wat doet dat met iemand die al lijdt?
Als gezegd wordt: “Genezing is volbracht”, wat blijft er dan over wanneer genezing uitblijft?
Dan komt de druk bijna vanzelf bij de zieke terecht. Heeft hij wel genoeg geloof? Spreekt hij wel goed? Begrijpt hij zijn positie in Christus wel? Staat hij misschien open voor demonische invloed?
Zo verandert een boodschap die bevrijdend wil zijn in een last. De zieke wordt niet vertroost met Christus, maar geconfronteerd met een ideaalbeeld waaraan hij blijkbaar niet voldoet.
Dat is niet hoe de Schrift spreekt.
Paulus zelf bad driemaal of de doorn in zijn vlees van hem weggenomen mocht worden. Gods antwoord was niet:

“Paulus, claim je genezing.”

Gods antwoord was:

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.”
2 Korinthe 12:9 STV

Dat is geen ongeloof. Dat is werkelijkheid.

Het verschil tussen gekocht en toegepast

Hier ligt een belangrijk onderscheid. Christus heeft door Zijn werk de totale verlossing verworven. Uiteindelijk zal er geen ziekte, geen dood, geen rouw en geen pijn meer zijn. Dat is zeker.
Maar wat Christus gekocht heeft, wordt niet allemaal op hetzelfde moment toegepast.

De vergeving van zonden ontvangt de gelovige nu.
De Heilige Geest woont nu in de gelovige.
De aanneming tot kinderen is nu werkelijkheid.
Maar de verlossing van het lichaam wordt nog verwacht.
De opstanding is toekomstig.
De volledige bevrijding van ziekte en dood hoort bij de komende heerlijkheid.
Daarom zegt de Bijbel niet dat wij nu al leven alsof de nieuwe hemel en nieuwe aarde volledig zijn aangebroken. Wij leven in de verwachting daarvan.

Kapstokprediking mist Bijbelse verhoudingen

Het probleem met deze boodschap is niet dat er helemaal geen waarheid in zit. Dat maakt het juist ingewikkeld.
Het is waar dat Christus heeft betaald.
Het is waar dat ziekte door de zondeval in de wereld gekomen is.
Het is waar dat de duivel een verderver is.
Het is waar dat Jezus macht heeft over ziekte, dood en demonen.
Het is waar dat God kan genezen.

Maar uit die waarheden wordt een conclusie getrokken die de Schrift niet trekt: dus is iedere gelovige nu al lichamelijk genezen en is ziekte demonisch.
Dat is kapstokprediking. Bijbelwoorden worden opgehangen aan een systeem, in plaats van dat het systeem wordt getoetst aan de Bijbel.

Hoe zou gezonde prediking hierover klinken?

Gezonde Bijbelse prediking zou ongeveer zo spreken:
Christus heeft volkomen betaald.
De zondeval heeft gebrokenheid, ziekte en dood gebracht.
God kan genezen, en wij mogen Hem daarom vrijmoedig bidden om genezing.
Soms geneest God onmiddellijk. Soms gebruikt Hij middelen. Soms geeft Hij genade om te dragen.

Een zieke gelovige is niet minder verlost.

Een chronisch zieke broeder of zuster is niet automatisch onder demonische invloed.
Onze hoop ligt niet in een claim op een pijnvrij leven nu, maar in Christus Zelf en in de toekomstige verlossing van ons lichaam.
Dat is minder spectaculair, maar Bijbels. En pastoraal.

Conclusie: laat de tekst spreken

De grote les is deze: een Bijbeltekst mag nooit een kapstok worden voor een boodschap die wij er graag aan willen hangen. De tekst moet zelf spreken. In zijn verband. In de lijn van heel de Schrift.
Wanneer “door Zijn striemen bent u genezen” wordt losgemaakt van zonde en gerechtigheid, ontstaat scheefgroei. Wanneer “Het is volbracht” wordt gebruikt als garantie voor directe lichamelijke genezing, wordt de toekomstige heerlijkheid naar het heden getrokken. Wanneer ziekte zonder onderscheid demonisch wordt genoemd, worden kwetsbare gelovigen geestelijk belast.
De Schrift geeft een rijkere, nuchtere en troostvollere boodschap.
Christus heeft werkelijk overwonnen.
God kan werkelijk genezen.
Maar de gelovige zucht nog steeds in een sterfelijk lichaam.
En juist daar klinkt het Evangelie helder: niet dat wij nu al geen zwakheid meer kennen, maar dat Christus’ genade genoeg is, zelfs midden in zwakheid.

Zie ook

Kapstok prediking – Bijbelse basis

Mensgerichte prediking ontmaskerd: wanneer de Bijbel als kapstok wordt misbruikt – Bijbelse basis

 

Was Mohammed echt een profeet?

Een Bijbelse toets van de eerste openbaring van de islam

In dit apologetische blog wordt onderzocht of Mohammeds eerste openbaring de toets van de Bijbel doorstaat. De ervaring in de grot van Hira wordt vergeleken met de roeping van Mozes in Exodus 3 en 4. Daarbij komt vooral de vraag naar voren of Waraka’s bevestiging werkelijk overeenkomt met de eerdere Schriften. De conclusie is dat Mohammeds boodschap niet aansluit bij het Bijbelse getuigenis, maar botst frontaal met het Evangelie van Jezus Christus.

De vraag of Mohammed echt een profeet van God was(video van Jos), is allesbehalve bijzaak. Zij raakt het fundament van de islam. Als Mohammed door God gezonden is, dan moet zijn boodschap ernstig genomen worden. Maar als hij géén profeet van God was, dan valt de aanspraak van de islam als goddelijke openbaring weg.

Daarom is de vraag niet: vinden wij Mohammed indrukwekkend?
De vraag is: doorstaat zijn roeping de toets van Gods eerdere openbaring?

Waarop baseert de islam eigenlijk dat Mohammed een profeet was en dat zijn openbaringen van God kwamen? Daarbij wordt Mohammeds eerste ervaring in de grot van Hira vergeleken met de roeping van Mozes in Exodus 3 en 4.

Poster met Bijbelse toets van Mohammeds eerste openbaring tegenover de roeping van Mozes bij de brandende braamstruik.
Was Mohammed echt een profeet?

 

De islam begint met een onzekere ervaring

Volgens de islamitische overlevering trok Mohammed zich terug in de grot van Hira. Daar verscheen een engel die hem opdroeg te lezen. Mohammed antwoordde dat hij niet kon lezen. Vervolgens werd hij door die engel hard vastgegrepen en aangedrukt. Dit herhaalde zich meerdere keren.

Wat daarna opvalt, is niet rust, zekerheid of aanbidding, maar angst.

Mohammed keert terug naar Khadija en zegt: “Bedek mij, bedek mij.” Hij is bang dat er iets met hem gebeurt. Hij weet op dat moment kennelijk niet zeker wat hij heeft meegemaakt. Khadija weet dat evenmin. Zij stelt hem gerust op basis van zijn karakter: hij is goed voor zijn familie, helpt armen, is gastvrij en ondersteunt mensen in nood.

Maar een goed karakter bewijst nog geen profeetschap.

Dat iemand moreel respectabel is, betekent nog niet dat zijn geestelijke ervaring van God komt. Ook religieuze ernst, afzondering, vasten, visioenen of intense belevingen zijn op zichzelf geen bewijs van goddelijke openbaring. De Bijbel leert juist dat geestelijke ervaringen getoetst moeten worden.

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn.”
1 Johannes 4:1 (STV)

Daar ligt meteen het kernpunt: Mohammeds eerste openbaring vraagt om toetsing.

 

Waraka wordt de eerste uitlegger van Mohammeds ervaring

Na deze gebeurtenis brengt Khadija Mohammed bij Waraka ibn Nawfal. Waraka wordt beschreven als iemand met kennis van de eerdere Schriften. Hij was vertrouwd met de Torah en het Evangelie. Hij zegt tegen Mohammed dat dit dezelfde engel zou zijn die tot Mozes kwam.

Dat is een zeer belangrijk moment.

Want Mohammeds ervaring wordt op dat punt niet bevestigd door de Koran — die bestond immers nog niet als afgeronde openbaring. De ervaring wordt ook niet bevestigd door duidelijke tekenen voor het volk. De eerste duiding komt van Waraka, en Waraka beroept zich in feite op de eerdere Schriften.

Dat betekent dat de claim eerlijk getoetst mag worden aan diezelfde Schriften.

Als Waraka zegt: “dit is zoals bij Mozes”, dan rijst de vraag: is dat zo?

 

De Bijbel is ook hier geen bijzaak

Veel moslims stellen dat de Bijbel vervalst is. Maar dat argument wordt problematisch wanneer Mohammeds eerste bevestiging juist afhankelijk wordt gemaakt van iemand die zich op de eerdere Schriften beroept.

Als de Torah en het Evangelie in principe onbetrouwbaar zijn, waarom zou Waraka’s bevestiging dan betrouwbaar zijn?

En als Waraka’s bevestiging betrouwbaar is omdat hij de eerdere Schriften kende, dan mogen die Schriften ook spreken. Dan mogen wij Exodus openslaan en vragen: lijkt Mohammeds roeping ook maar enigszins op die van Mozes?

Dat is geen oneerlijke vraag. Dat is juist consequent toetsen.

De vraag of Mohammed werkelijk een profeet was, moet niet worden beantwoord op basis van religieuze traditie, maar op grond van Gods eerdere openbaring.

 

Mozes wist Wie tot hem sprak

Wanneer Mozes in Exodus 3 bij de brandende braamstruik komt, is de situatie radicaal anders. Daar is geen verwarrende worsteling met een onbekende geestelijke macht. Daar is geen paniek waarin Mozes naar huis vlucht en door een familielid gerustgesteld moet worden.

God maakt Zichzelf bekend.

De HEERE zegt:

“Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob.”
Exodus 3:6 (STV)

Mozes weet met Wie hij te maken heeft. Hij vreest, ja, maar dat is heilige eerbied. Hij bedekt zijn gezicht omdat hij beseft dat hij voor God staat. Dat is iets heel anders dan geestelijke ontreddering zonder zekerheid over de bron van de ervaring.

Bij Mozes is er duidelijke openbaring. God spreekt. God noemt Zichzelf. God geeft een opdracht. God verbindt die opdracht aan Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob. De roeping van Mozes staat in de lijn van Gods eerdere beloften.

Bij Mohammed ontbreekt juist dat soort Bijbelse helderheid.

 

Mozes kreeg een concrete opdracht

God roept Mozes niet tot een vaag religieus bewustzijn. Hij geeft hem een concrete opdracht:

Mozes moet naar Farao gaan.
Mozes moet Israël uit Egypte leiden.
Mozes wordt gezonden binnen Gods verbondsgeschiedenis.
Mozes krijgt woorden van God mee.
Mozes krijgt tekenen ter bevestiging.

Wanneer Mozes vreest dat het volk hem niet zal geloven, geeft God hem tekenen. Zijn staf wordt een slang. Zijn hand wordt melaats en wordt weer hersteld. Het water uit de Nijl zal bloed worden. Die tekenen zijn niet bedoeld als religieus spektakel, maar als bevestiging dat de HEERE werkelijk gesproken heeft.

Mozes hoeft niet te zeggen: “Ik had een intense ervaring, geloof mij maar.”

God Zelf bevestigt Zijn knecht.

 

Bij Mohammed ontbreekt de Bijbelse bevestiging

Daar wringt het.

Bij Mohammeds eerste ervaring zien we volgens de overlevering angst, verwarring en onzekerheid. Hij moet door Khadija gerustgesteld worden. Vervolgens moet Waraka de ervaring verklaren. Maar er is geen directe Bijbelse bevestiging zoals bij Mozes.

Geen brandende braamstruik waarin God Zichzelf openbaart als de God van Abraham, Izak en Jakob.
Geen duidelijke verbondslijn.
Geen tekenen voor het volk.
Geen bevestiging zoals bij Mozes tegenover Aäron en de oudsten van Israël.
Geen openbaring die overeenstemt met het Evangelie van Christus.

En dat laatste is doorslaggevend.

Want de Bijbel geeft een ernstige waarschuwing:

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.”
Galaten 1:8 (STV)

Let op: Paulus zegt zelfs dat een engel uit de hemel niet automatisch geloofd mag worden. De vraag is niet alleen: was er een engel? De vraag is: welke boodschap bracht hij?

Als de boodschap afwijkt van het Evangelie van Jezus Christus, dan moet zij verworpen worden.

 

De cruciale vraag: welke Jezus wordt verkondigd?

De islam erkent Jezus als profeet, maar verwerpt Hem als de gekruisigde en opgestane Zoon van God. Zij ontkent dat Jezus werkelijk de Middelaar is zoals het Nieuwe Testament Hem verkondigt. Zij ontkent het hart van het Evangelie: Christus gestorven voor onze zonden, begraven en opgewekt naar de Schriften.

Maar de apostolische boodschap is helder:

“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
1 Korinthe 15:3-4 (STV)

Daar staat of valt alles mee.

Een religie die Jezus eert als profeet maar Hem niet erkent zoals de Schrift Hem openbaart, geeft niet te veel eer aan Jezus, maar te weinig. Zij houdt een andere Jezus over: een Jezus zonder kruis als verzoening, zonder opstanding als overwinning, zonder volkomen middelaarschap.

Dat is geen klein verschilletje. Dat is een ander evangelie.

 

Mozes wees vooruit naar Christus, niet naar Mohammed

In Deuteronomium 18 wordt gesproken over een profeet als Mozes. Islamitische apologeten verbinden dit vaak met Mohammed. Maar het Nieuwe Testament past deze verwachting toe op Christus.

Petrus zegt in Handelingen 3 dat Mozes gesproken heeft over de Profeet Die God zou verwekken, en hij verbindt dat met Jezus Christus. De lijn van Mozes loopt dus niet naar Mohammed, maar naar de Heere Jezus.

Mozes was middelaar van het oude verbond.
Christus is Middelaar van het nieuwe verbond.
Mozes leidde Israël uit Egypte.
Christus verlost zondaren uit zonde, dood en oordeel.
Mozes bracht de wet.
Christus bracht genade en waarheid.

“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.”
Johannes 1:17 (STV)

Wie Mozes echt en nauwkeurig volgt, komt niet uit bij de islam, maar bij de Here Jezus Christus.

 

Het probleem is niet eens Mohammeds karakter, maar zijn claim

Dit blog is geen aanval op moslims als mensen. Moslims zijn onze medemensen. Zij moeten net als iedereen met respect en liefde benaderd worden. Maar liefde betekent niet dat wij geestelijke claims dan maar ongetoetst laten uit angst te kwetsen of zo.

Het probleem is niet dat Mohammed religieus was.
Het probleem is niet dat hij ernstig zocht.
Het probleem is niet dat hij invloedrijk werd.

Het probleem is zijn claim: dat hij openbaring van God ontving die het Bijbelse getuigenis corrigeert, aanvult en uiteindelijk grof tegenspreekt.

Die claim kan een christen nooit aanvaarden.

Want God heeft gesproken in Zijn Zoon.

“God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon.”
Hebreeën 1:1-2 (STV)

Dat is beslissend. Na Christus komt er geen profeet die het Evangelie mag herschrijven. Er komt geen latere openbaring die de kruisdood van Christus relativeert of ontkent. Er komt geen engel die een ander evangelie mag brengen.

 

Het overzicht

Wanneer Mohammeds eerste openbaring wordt vergeleken met Mozes’ roeping, vallen de verschillen op.

Mozes wordt geroepen door de God van Abraham, Izak en Jakob.
Mohammed wordt geconfronteerd met een ervaring die hij zelf niet begrijpt.

Mozes ontvangt een duidelijke opdracht.
Mohammed keert angstig terug en moet gerustgesteld worden.

Mozes krijgt tekenen van God ter bevestiging.
Mohammeds ervaring wordt achteraf geduid door Waraka.

Mozes staat in de lijn van Gods verbond met Israël.
Mohammed brengt een boodschap die het apostolische Evangelie tegenspreekt.

Daarom kan een christen niet zeggen: “Mohammed was ook een profeet.” Niet omdat christenen moslims haten, maar omdat zij Christus liefhebben en de Schrift serieus nemen.

De Bijbelse toets is helder:

Een ware profeet spreekt niet tegen Gods eerdere openbaring in.
Een ware engel brengt geen ander evangelie.
Een ware boodschap van God verhoogt Christus zoals de Schrift Hem openbaart
.

En precies daar faalt de islamitische claim.

De vraag is daarom niet: was Mohammed oprecht?
De vraag is: was hij door de God van de Bijbel gezonden?

Op grond van de Schrift moet het antwoord zijn: nee.

Want de laatste en beslissende openbaring van God is niet gekomen in de grot van Hira, maar in Jezus Christus, de Zoon van God, gekruisigd en opgestaan.

Wie God wil leren kennen, moet niet naar Mohammed gaan, maar naar de Here Jezus Christus.

 

 

Waarom 1 Korinthe 15:28 wringt met het klassieke drie-eenheidsdogma

De Zoon Zelf zal onderworpen worden

Wat betekent het dat “de Zoon Zelf onderworpen” zal worden? In 1 Korinthe 15:28 schrijft Paulus woorden die vaak spanning oproepen binnen het klassieke drie-eenheidsdogma. Dit blog laat zien dat deze tekst de Godheid van Christus geenszins  ontkent. Jezus is JHWH. Maar tegelijk dwingt deze tekst ons om de Bijbelse orde, of  zo je wilt hiërarchie, tussen God, de Vader, en de Zoon serieus te nemen.

Er zijn Bijbelteksten die je niet mag wegverklaren omdat ze niet inpasbaar zouden zijn, maar gewoon moet laten staan. Niet omdat ze gemakkelijk zijn, maar omdat ze juist door hun scherpte ons dwingen om onze woorden onder het gezag van de Schrift te brengen.

1 Korinthe 15:28 is zo’n tekst.

“En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.” (1 Korinthe 15:28, STV)

Dit vers is geen aanval op de heerlijkheid van Christus. Het is geen ontkenning van Zijn Godheid. Het is geen munitie voor wie van Jezus slechts een schepsel, profeet of verheven mens wil maken.

Integendeel.

Juist omdat Jezus Christus zo hoog verheven is, juist omdat alle dingen Hem onderworpen worden, juist omdat Hij de laatste vijand, de dood, tenietdoet, is dit vers zo indrukwekkend.

Maar het vers ontmaskert wél iets anders: de vanzelfsprekendheid waarmee het kerkelijke drie-eenheidsdogma vaak zondermeer over de Schrift heen gelegd wordt.

Niet de Christus der Schriften wordt ontmaskerd, maar een latere kerkelijke formulering die moeite heeft met de duidelijke orde die Paulus hier beschrijft.

1 Korinthe15:28

De tekst zegt wat hij zegt

Paulus schrijft niet dat “de menselijke natuur” van Christus onderworpen zal worden. Hij schrijft ook niet dat “Christus naar Zijn Middelaarsambt” onderworpen zal worden, alsof dat de scherpe rand van de tekst wegneemt.

Hij schrijft:

“dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden” (1 Korinthe 15:28, STV)

Dat is directe taal. De Zoon Zelf.

Wie de Schrift serieus neemt, moet die woorden niet onmiddellijk ombouwen tot dogmatische categorieën. Natuurlijk is het waar dat Christus de Middelaar is. Natuurlijk is het waar dat Hij als Mens en als Messias regeert. Maar Paulus gebruikt hier niet de taal van concilies. Hij gebruikt de taal van openbaring.

God heeft alle dingen aan Christus onderworpen. Christus regeert totdat alle vijanden onder Zijn voeten gelegd zijn. Daarna wordt ook de Zoon Zelf onderworpen aan Hem Die Hem alle dingen onderworpen heeft.

Dat is de orde van de Schrift.

Dit is geen ontkenning van Jezus als JHWH

Laat dit helder zijn: wie 1 Korinthe 15:28 gebruikt om de Godheid van Christus te ontkennen, zakt hier keihard door het ijs. Dezelfde Schrift die spreekt over de onderwerping van de Zoon, spreekt ook over de Goddelijke heerlijkheid van de Zoon.

“Ik en de Vader zijn één.” (Johannes 10:30, STV)

“En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!” (Johannes 20:28, STV)

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.” (Kolossenzen 2:9, STV)

“Welke, in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn.” (Filippenzen 2:6, STV)

De Schrift laat geen ruimte voor een lagere Christus. Jezus is niet slechts een gezant of een profeet naast God. Hij is niet een engel. Hij is niet een geschapen tussenwezen. Hij draagt de Naam, de heerlijkheid, de werken en de aanbidding die aan JHWH toekomen.

Maar dezelfde Schrift laat óók geen ruimte om de Zoon los te maken van Zijn verhouding tot de Vader.

“Want Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft.” (Johannes 6:38, STV)

“De Vader is meerder dan Ik.” (Johannes 14:28, STV)

“Doch van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.” (Markus 13:32, STV)

Deze teksten zijn geen ongelukken of toevalligheden in de Bijbel. Ze zijn geen voetnoten die met wat dogmatische tactiek onschadelijk gemaakt moeten worden.

Ze horen bij de openbaring van de Zoon.

Jezus is JHWH. En Jezus is de Zoon.
Jezus is waarachtig God. En Jezus is de Gezondene.
Jezus is één met de Vader. En Hij doet de wil van de Vader.
Jezus ontvangt alle dingen. En Hij onderwerpt uiteindelijk alles aan God.

Dat gegeven moeten we niet negeren.

Waar het dogma begint te wringen

Het klassieke drie-eenheidsdogma wil de Godheid van Christus beschermen. Die intentie is begrijpelijk. In de kerkgeschiedenis moest er terecht weerstand geboden worden tegen leringen die Christus verlaagden tot schepsel. Ook vandaag de dag nog wordt er heel wat gerommeld om Christus lager neer te zetten.

Maar de vraag is niet alleen of een dogma iets goeds wil beschermen. De vraag is ook of het de volledige boodschap en openbaring van de Schrift recht doet.

En dat is een lastige  vraag,

Wanneer de drie-eenheid zo wordt voorgesteld dat Vader, Zoon en Geest in de praktijk vooral drie gelijkwaardige “Personen” naast elkaar worden, dan ontstaat er spanning met teksten waarin de Zoon gezonden wordt, ontvangt, gehoorzaamt, onderworpen is, verhoogd wordt, het Koninkrijk overdraagt en uiteindelijk Zelf onderworpen wordt.

Paulus zegt:

“Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.” (1 Korinthe 15:24, STV)

En daarna:

“Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.” (1 Korinthe 15:25, STV)

Christus regeert dus met een doel. Zijn heerschappij is niet los verkrijgbaar. Zij staat in dienst van Gods voleindiging. Hij brengt alles onder Zijn voeten, om daarna het Koninkrijk over te geven aan God en de Vader.

Dat is geen zwakte van Christus. Dat is Zijn heerlijkheid.

De heerlijkheid van de Zoon is niet dat Hij naast de Vader een zelfstandige macht vormt. Zijn heerlijkheid is dat Hij volmaakt de wil van God volbrengt en alles terugbrengt tot God.

De Zoon als laatste Adam

De context van 1 Korinthe 15 is doorslaggevend. Paulus spreekt over Adam en Christus.

“Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.” (1 Korinthe 15:21, STV)

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.” (1 Korinthe 15:22, STV)

Christus wordt hier voorgesteld als de laatste Adam. Waar de eerste Adam faalde, gehoorzaamt Christus. Waar Adam de dood binnenbracht, brengt Christus leven. Waar Adam de schepping onder de macht van zonde en dood bracht, brengt Christus alles terug onder God.

Daarom is 1 Korinthe 15:28 geen losstande tekst over de verhouding tussen Vader en Zoon. Het is de climax van de hele heilsgeschiedenis.

De eerste mens faalde in onderwerping.
De laatste Adam volbrengt de onderwerping volmaakt.
De eerste mens bracht dood.
De tweede Mens brengt opstanding.
De eerste Adam verloor de orde.
Christus herstelt de orde, totdat God alles in allen is.

Niet alles hoeft en kan in één formule samengevat worden

Een groot probleem ontstaat wanneer wij denken dat de Bijbelse openbaring pas veilig is wanneer wij haar in een kerkelijke formule kunnen vangen.

Maar de Schrift spreekt rijker, dynamischer en concreter dan de meeste dogmatiek.

De Bijbel zegt niet alleen: Christus is God.
De Bijbel zegt ook: Christus is de Zoon van God.

De Bijbel zegt niet alleen: Christus is één met de Vader.
De Bijbel zegt ook: Christus is door de Vader gezonden.

De Bijbel zegt niet alleen: Christus heeft alle macht.
De Bijbel zegt ook: Christus heeft die macht ontvangen.

“En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” (Mattheüs 28:18, STV)

De Bijbel zegt niet alleen: Christus regeert.
De Bijbel zegt ook: Christus draagt het Koninkrijk over aan God en de Vader.

“Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben…” (1 Korinthe 15:24, STV)

Dat moet blijven staan.

Wie zegt: “Jezus is JHWH”, zegt iets voluit Bijbels. Maar wie vervolgens doet alsof de onderwerping van de Zoon niet werkelijk gezegd wordt, verliest ook iets Bijbels.

Het probleem is dus niet het belijden van Christus’ Godheid. Het probleem is een dogmatische reflex die teksten als 1 Korinthe 15:28 onmiddellijk neutraliseert.

Het verschil tussen belijden en systeemdwang

Er is een verschil tussen belijden wat de Schrift zegt en eisen dat alles past binnen een later geconstrueerd systeem.

Wij kunnen voluit belijden dat Jezus Christus God is, zonder verplicht te zijn om elke kerkelijke formulering over de drie-eenheid kritiekloos over te nemen.

Wij kunnen voluit belijden dat Christus de Naam en heerlijkheid van JHWH draagt, zonder te ontkennen dat de Vader Hem zendt, verhoogt, macht geeft en alle dingen aan Hem onderwerpt.

Wij kunnen voluit belijden dat de Zoon eeuwige heerlijkheid heeft, zonder 1 Korinthe 15:28 te verzwakken.

De Schrift hoeft niet gered te worden door het dogma.

Andersom:

Het dogma moet getoetst worden aan de Schrift.

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Wat 1 Korinthe 15:28 laat zien

Deze tekst laat zien dat veel drie-eenheidstaal en formulering te statisch is. Zij spreekt over God alsof het vooral gaat om een eeuwige interne structuur van drie Personen in één wezen.

Maar Paulus spreekt hier niet filosofisch. Hij spreekt heilshistorisch.

Er is een begin: Christus is opgewekt als Eersteling.

“Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.” (1 Korinthe 15:20, STV)

Er is een vervolg: die van Christus zijn worden levend gemaakt bij Zijn toekomst.

“Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.” (1 Korinthe 15:23, STV)

Er is heerschappij: Christus regeert totdat alle vijanden onderworpen zijn.

“Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.” (1 Korinthe 15:25, STV)

Er is een laatste vijand: de dood.

“De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.” (1 Korinthe 15:26, STV)

Er is voltooiing: de Zoon Zelf wordt onderworpen aan God, opdat God alles in allen zij.

“opdat God zij alles in allen.” (1 Korinthe 15:28, STV)

Dat is geen platgeslagen dogmatiek. Dat is de grote dynamiek van Gods heilsplan.

Een scherpere, Bijbelse formulering

Misschien kunnen  we het eenvoudig, Bijbels  en eerbiedig zeggen:

Jezus Christus is de Zoon van God, het Beeld van de onzienlijke God, in Wie de volheid der Godheid lichamelijk woont. Hij is JHWH geopenbaard, de Heere der heerlijkheid, de Schepper en Erfgenaam van alle dingen.  DE Naam die gegeven is waardoor wij behouden moeten worden. Als de opgestane Mens, de laatste Adam en de Messiaanse Koning ontvangt Hij alle macht, onderwerpt Hij alle vijanden, vernietigt Hij de dood en draagt Hij het Koninkrijk over aan God en de Vader.

Daarna wordt ook de Zoon Zelf onderworpen, opdat God zij alles in allen.

Dat is geen armoedige Christus-leer.
Dat is Bijbels.

Zij buigt voor alle teksten, niet slechts voor de teksten die gemakkelijk binnen het dogma passen.

1 Korinthe 15:28 is géén aanval op Jezus Christus. Het is een aanval op onze neiging om de Schrift ondergeschikt te maken aan of samen te vatten in kerkelijk jargon.

Wie gelooft dat Jezus JHWH is, hoeft 1 Korinthe 15:28 niet te vrezen. Integendeel. Juist dit vers laat zien hoe groot Christus is. Hij is Degene aan Wie alle dingen onderworpen worden. Hij is Degene Die regeert totdat de dood zelf tenietgedaan wordt. Hij is Degene Die als laatste Adam de orde herstelt die in Adam verloren ging.

Maar Zijn heerlijkheid bestaat niet in onafhankelijkheid van God. Zijn heerlijkheid bestaat in volmaakte gehoorzaamheid, volmaakte heerschappij en volmaakte onderwerping aan het doel van God.

Daarom ontmaskert 1 Korinthe 15:28 niet de Godheid van Christus, maar wel een dogma dat soms te snel, te glad en te abstract spreekt.

De Schrift is concreter:

De Zoon regeert.
De Zoon overwint.
De Zoon onderwerpt alle dingen.
De Zoon draagt het Koninkrijk over.
De Zoon Zelf wordt onderworpen.
En God zal zijn alles in allen.

Dat is geen verlies van Christus’ heerlijkheid.
Maar de voleinding ervan.

Geverifieerd door MonsterInsights