
Dit is het woord dat Hij gezonden heeft den kinderen Israëls, verkondigende vrede door Jezus Christus: Deze is een Heere van allen. Handelingen 10:36

Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Handelingen 16:31

Dit is het woord dat Hij gezonden heeft den kinderen Israëls, verkondigende vrede door Jezus Christus: Deze is een Heere van allen. Handelingen 10:36

Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Handelingen 16:31
De islam wil Jezus kleiner maken, portretteert Hem significant minder glorieus dan het Evangelie Hem verkondigt.
Hij mag dan wel profeet zijn Hij mag Messias heten. (Wat dat laatste betekent wordt in de Koran niet duidelijk) Hij mag uit een maagd geboren worden. Hij mag wonderen verrichten. Hij mag zelfs het Woord van Allah en een Geest van Hem genoemd worden.
Maar de Zoon van God?
Nee.
En precies daar zit een heel groot probleem.
Want hoe harder de Koran probeert Jezus terug te brengen tot “slechts een boodschapper”, hoe opvallender en sprekender de uitzonderlijke taal wordt die dezelfde Koran voor Hem gebruikt.
Daar komt nog iets bij.
Wanneer Mohammed door zijn tijdgenoten om een wonder wordt gevraagd, vinden we in de Koran niet het antwoord dat je bij de laatste en grootste profeet zou verwachten.
Geen zee die splijt.
Geen dode die opstaat.
Geen blinde die ziende wordt.
Geen melaatse die geneest.
Integendeel: telkens wanneer Mohammed om een teken wordt gevraagd, wordt het wonderverzoek afgewezen of wordt uiteindelijk naar de Koran zelf verwezen.
Dat contrast verdient veel meer aandacht.

Moslims zeggen vaak:
“Wij geloven ook in Jezus.”
Dat is maar heel gedeeltelijk waar.
De Koran spreekt buitengewoon hoog over Jezus. Maar juist hierdoor ontstaat een vraag die binnen de islam moeilijk verdwijnt:
Waarom is Jezus dan zo anders dan alle andere profeten?
De meest opmerkelijke tekst is Soera 4:171:
„De Messias, Jezus, de zoon van Maria, is slechts een boodschapper van Allah en Zijn Woord, dat Hij aan Maria heeft gegeven, en een Geest van Hem.”
— Soera 4:171
Let op de opeenstapeling.
Jezus is:
Dat zijn geen alledaagse titels.
Mohammed wordt nergens het Woord van Allah genoemd.
Mozes wordt nergens het Woord van Allah genoemd.
Abraham wordt nergens het Woord van Allah genoemd.
Jezus wel.
Hoe zit dat?
De gebruikelijke islamitische verklaring is dat Jezus “het Woord” heet omdat Allah zei:
Wees!
en Jezus daardoor tot bestaan kwam
Maar daarmee wordt het probleem niet opgelost.
Volgens de Koran schept Allah immers ook andere dingen door eenvoudig te bevelen dat zij er zijn.
Wanneer “door het bevel van Allah ontstaan” voldoende zou zijn om iemand het Woord van Allah te noemen, dan zou die titel helemaal niet uniek zijn.
Toch noemt de Koran uitdrukkelijk Jezus zo.
Dat wordt nog interessanter wanneer we het naast het Evangelie leggen:
„In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.”
— Johannes 1:1, STV
En vervolgens:
„En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.”
— Johannes 1:14, STV
De Koran ontkent de christelijke conclusie over Jezus, maar behoudt merkwaardig genoeg taal die juist rechtstreeks raakt aan de eeuwenoude christelijke belijdenis over Hem.
Dat bewijst op zichzelf niet dat de Koran de Godheid van Christus leert.
Dat doet hij niet.
Maar het levert wel een serieus intern probleem op voor de islamitische voorstelling dat Jezus uiteindelijk slechts één menselijke boodschapper in een lange rij profeten zou zijn.
Want waarom noemt Allah juist Hém Zijn Woord?
Alsof “Woord van Allah” nog niet opmerkelijk genoeg is, noemt Soera 4:171 Jezus:
“een Geest van Hem.”
Ook hier probeert islamitische uitleg de betekenis doorgaans zo beperkt mogelijk te houden.
Maar de tekst blijft staan.
Niet alleen:
een geest,
maar:
een Geest van Hém.
En opnieuw rijst dezelfde vraag.
Waarom Jezus?
Waarom wordt deze taal niet op Mohammed toegepast?
Waarom niet op Abraham?
Waarom niet op Mozes?
Binnen het christelijke getuigenis is de uitzonderlijke positie van Jezus volkomen begrijpelijk. Hij is niet slechts één profeet tussen anderen.
Hij is de Zoon.
Hij is het Woord dat vlees geworden is.
Maar wanneer de Godheid van Christus eerst wordt ontkend, moet vervolgens worden verklaard waarom de Koran Hem met taal omringt die Hem voortdurend boven de gewone profetische categorie doet uitsteken.
De Koran zegt over Jezus:
“Wij hebben Jezus, den zoon van Maria, de duidelijke tekenen gegeven en Hem versterkt met den Heiligen Geest.”
— Soera 2:253
Hetzelfde komt terug in Soera 5:110, waar Allah Jezus eraan herinnert dat Hij Hem met de Heilige Geest ondersteunde.
Dat maakt de uitzonderlijke positie nog opvallender.
Jezus is:
Messias.
Woord van Allah.
Geest van Hem.
Ondersteund door de Heilige Geest.
En vervolgens is dan het antwoord:
“Maar Hij is slechts een profeet.”
Dat antwoord wordt steeds problematischer naarmate je de eigen woorden van de Koran naast elkaar legt.
Maria zegt in de Koran:
„Hoe zal ik een zoon hebben, terwijl geen man mij heeft aangeraakt?”
— vgl. Soera 19:20
Het antwoord is dat dit voor Allah gemakkelijk is.
Jezus wordt dus zonder menselijke vader geboren.
Ook daarin is Hij uniek.
Daarmee komen we echter bij een opmerkelijk probleem in de manier waarop de Koran elders het christelijke Zoonschap bestrijdt.
Soera 6:101 zegt:
„Hoe zou Hij een zoon kunnen hebben terwijl Hij geen gezellin heeft?”
Sta daar eens bij stil.
Het argument lijkt te zijn:
Allah heeft geen vrouw, dus hoe zou Hij een zoon kunnen hebben?
Maar christenen hebben nooit geleerd dat God met Maria gemeenschap had en daardoor Jezus verwekte.
Dat is geen christelijke leer.
Niet in het Nieuwe Testament.
Niet in de vroegchristelijke belijdenis.
Niet in de leer van de Drie-eenheid.
Christenen spreken over de Zoon van God, niet over een lichamelijke zoon die ontstond doordat God een echtgenote nam.
De Koran bestrijdt hier dus een lichamelijke voorstelling van het zoonschap die het christendom niet leert.
En het wordt nog merkwaardiger.
Wanneer Maria vraagt:
“Hoe zal ik een zoon hebben, terwijl geen man mij heeft aangeraakt?”
is het antwoord in Soera 19:21 in essentie:
dat is gemakkelijk voor Allah.
Dus wanneer Maria zegt:
“Ik heb geen man; hoe kan ik dan een zoon krijgen?”
is het antwoord:
Allah heeft geen man nodig om haar een zoon te geven.
Maar wanneer het gaat over God en de christelijke benaming „Zoon van God”, luidt de redenering:
“Hoe kan Hij een zoon hebben als Hij geen gezellin heeft?
Zie je het probleem?
De Koran erkent in het ene geval zelf dat een zoon door Gods bovennatuurlijke handelen kan bestaan zonder voortplanting.
Maar elders wordt Gods Zoonschap bestreden alsof een echtgenote noodzakelijk zou zijn.
Dat is géén weerlegging van het christelijke geloof.
Het is een weerlegging van een geloof dat christenen niet hebben.
Dat zien we eveneens in Soera 5:116.
Daar vraagt Allah aan Jezus of Hij tegen de mensen heeft gezegd:
„Neem mij en mijn moeder als twee goden naast Allah.”
Maar Maria hoort niet bij de christelijke Drie-eenheid.
De christelijke belijdenis is niet:
God – Maria – Jezus.
Maar:
Vader – Zoon – Heilige Geest.
Ook Soera 5:73 veroordeelt degenen die zeggen dat Allah “de derde van drie” (?!) is.
Maar christenen geloven evenmin dat “God één god naast twee andere goden is”.
De leer van de Drie-eenheid zegt niet:
drie goden.
Zij zegt dat er één God is.
Het probleem is daarom veel dieper dan simpelweg:
De Koran verwerpt de Drie-eenheid.
De vraag is:
Begrijpt de Koran eigenlijk wel welke Drie-eenheid hij verwerpt?
Het contrast met Mohammed wordt vervolgens buitengewoon scherp.
Over Jezus zegt Soera 5:110 dat Hij:
‘De Koran voegt steeds toe dat dit gebeurde met toestemming van Allah
Maar daarmee verdwijnt het contrast niet.
Jezus doet de wonderen.
Zichtbare wonderen.
Wonderen die rechtstreeks aansluiten bij Zijn optreden als bijzondere boodschapper.
En dan komt Mohammed.
De zo genoemde laatste profeet
De boodschapper die volgens de islam de eerdere openbaringen corrigeert.
De profeet aan wie uiteindelijk de hele mensheid zich zou moeten onderwerpen.
Wat gebeurt er wanneer zijn tijdgenoten zeggen:
Laat dan een teken zien.
De vraag komt in de Koran niet één keer voor.
Hij komt telkens terug.
Soera 6:37:
„Waarom is geen teken van zijn Heer tot hem neergezonden?”
Het antwoord?
Allah kan een teken zenden.
Maar er komt geen wonder waarmee Mohammed zijn critici overtuigt.
Soera 10:20:
„Waarom is geen teken van zijn Heer tot hem neergezonden?”
Opnieuw.
Soera 13:7:
„Waarom is geen teken van zijn Heer tot hem neergezonden?”
Opnieuw.
Soera 13:27:
opnieuw dezelfde uitdaging.
Dat is opmerkelijk.
Want stel dat Mohammed publiek wonderen verrichtte zoals Mozes en Jezus.
Waarom antwoordt hij dan niet eenvoudig:
Geen teken? Jullie hebben het toch gezien?
Soera 17:59 zegt in essentie dat Allah ervan weerhouden werd tekenen te zenden omdat vroegere volken die tekenen hadden verworpen.
Maar wat is dat voor argument?
Mensen verwierpen ook de tekenen van Mozes.
Tóch kreeg Mozes tekenen.
Mensen verwierpen Jezus.
Tóch verrichtte Jezus volgens de Koran wonder na wonder.
Dat sommige mensen een wonder zullen verwerpen, verklaart niet waarom een profeet geen wonder ontvangt.
Een teken dient juist om zijn aanspraak te bevestigen.
Het duidelijkst wordt het in Soera 29:50-51.
De tegenstanders vragen:
Waarom zijn geen tekenen van zijn Heer tot hem neergezonden?
Mohammed moet antwoorden dat de tekenen bij Allah zijn en dat hij slechts een waarschuwer is.
Daarna volgt het argument dat het toch voldoende zou moeten zijn dat het Boek aan hem is geopenbaard.
Dat is veelzeggend.
De mensen vragen om een teken dat Mohammeds aanspraak bevestigt.
En Mohammed verwijst hen uiteindelijk naar de boodschap waarvan zij vragen waarom zij die als goddelijke openbaring zouden moeten geloven.
De boodschap wordt daarmee haar eigen bewijs.
Maar dat is dus precies wat de vraagsteller ter discussie stelde.
Hier wordt vaak Soera 54:1 aangehaald:
Het uur is nabijgekomen en de maan is gespleten.
Latere islamitische traditie maakt hier een wonder van Mohammed van..
Maar lees het vers zelf.
Er staat niet:
Mohammed spleet de maan.
Er staat zelfs niet in het vers dat Mohammed een wonder verrichtte in aanwezigheid van zijn tegenstanders.
Dat verhaal wordt door latere overlevering ingevuld.
En daarmee ontstaat opnieuw een eenvoudige vraag.
Als Mohammed daadwerkelijk voor de ogen van zijn tegenstanders de maan in tweeën had laten splijten, waarom lezen we dan later nog:
Waarom is geen teken tot hem neergezonden?
Het antwoord had dan verbluffend eenvoudig kunnen zijn:
Geen teken? Hebben jullie de maan soms gemist?
Maar zo’n antwoord staat niet in de Koran.
In de latere hadithliteratuur verandert het beeld sterk.
Daar lezen we over Mohammed bij wie water uit zijn vingers stroomt, voedsel wordt vermenigvuldigd en bomen hem gehoorzamen.
Dat maakt de spanning alleen maar groter.
Want het oudste en volgens moslims hoogste islamitische gezag — de Koran — laat Mohammed herhaaldelijk geconfronteerd worden met het ontbreken van een teken.
De veel latere overleveringen leveren vervolgens alsnog de wonderen die zijn tegenstanders tijdens zijn leven kennelijk voortdurend verlangden.
Dat roept een historische vraag op die niet met vrome beweringen kan worden weggenomen:
Waarom ontbreken die wonderen in Mohammeds eigen antwoord aan degenen die hem erom vroegen?
Daarmee komen de lijnen samen.
Over Jezus zegt de Koran:
Hij is de Messias.
Hij is het Woord van Allah.
Hij is een Geest van Hem.
Hij wordt door de Heilige Geest ondersteund.
Hij wordt uit een maagd geboren.
Hij geneest de blinde.
Hij reinigt de melaatse.
Hij brengt de doden tot leven, met Gods toestemming.
Hij zal bovendien volgens de islamitische verwachting een buitengewone rol aan het einde der tijden vervullen.
Hij zal Gods oordeel brengen.
En Mohammed?
Wanneer om een teken wordt gevraagd:
Ik ben slechts een waarschuwer.
De asymmetrie is enorm.
De islam wil Mohammed boven Jezus plaatsen als laatste profeet, maar haar eigen bronnen geven Jezus kenmerken die Mohammed niet heeft.
De hadiths maken het contrast nog opvallender.
In Sahih al-Bukhari 3286 wordt overgeleverd dat Satan ieder kind bij de geboorte aanraakt, maar dat dit bij Jezus niet lukt.
Sahih al-Bukhari 3431 noemt Maria en haar Zoon als uitzonderingen.
Ook Sahih Muslim 2366a bevat deze traditie.
Nogmaals dan de vraag:
Waarom Jezus?
Waarom deze uitzonderingspositie?
Waarom niet Mohammed?
Waarom wordt degene die volgens de islam ‘slechts een profeet’ is voortdurend met uitzonderingen omgeven?
De islamitische bronnen lijken steeds hetzelfde probleem te creëren dat de islamitische leer vervolgens moet proberen weg te verklaren.
Moslims vragen christenen geregeld:
Waar zegt Jezus letterlijk: Ik ben God, aanbid Mij?
Maar misschien moet er eerst iets worden uitgelegd:
Waarom spreekt zelfs de Koran op zo’n uitzonderlijke manier over Jezus Christus?
Waarom is Hij het Woord van Allah?
Waarom een Geest van Hem?
Waarom de Messias?
Waarom uit een maagd?
Waarom ondersteund door de Heilige Geest?
Waarom verricht Hij wonderen die Mohammed in de Koran niet verricht?
Waarom kan Satan Hem volgens de hadith niet aanraken?
En waarom moet een boek dat zes eeuwen na Christus verschijnt vervolgens zeggen dat de fundamentele boodschap van de apostelen over Zijn kruisiging niet klopt?
Wanneer twee religies elkaar tegenspreken over Jezus, moet de vraag niet zijn:
Welke traditie ben ik gewend?
maar:
Welke getuigen staan het dichtst bij Jezus Zelf?
De Koran verschijnt ongeveer zes eeuwen na Christus.
Het Nieuwe Testament voert ons terug naar de eerste eeuw, naar de apostolische verkondiging en naar mensen die Jezus kenden of direct verbonden waren met degenen die Hem kenden.
Daar vinden wij geen Jezus die alleen maar de komst van Mohammed aankondigt.
Daar vinden wij:
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
— Johannes 1:1, STV
Daar vinden wij Thomas die voor de opgestane Christus uitroept:
Mijn Heere en mijn God!
— Johannes 20:28, STV
Daar vinden wij Paulus:
Welke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.
— Romeinen 9:5, STV
En daar vinden wij het warme hart van het Evangelie:
Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.
— 1 Korinthe 15:3-4, STV
Dat is de Jezus van de Bijbel.
Niet slechts een profeet.
Niet de voorloper van Mohammed.
Niet iemand die aan het kruis vervangen moest worden.
Maar de gekruisigde en opgestane Here Jezus Christus.
De vraag aan de moslim is daarom niet of hij respect voor Jezus heeft.
De veel belangrijkere vraag is:
Wie is Jezus echt?
Wanneer zelfs de Koran Hem uitzonderlijke titels geeft, uitzonderlijke geboorte, uitzonderlijke wonderen en een uitzonderlijke verhouding tot de Geest van God, wees dan niet tevreden met het antwoord:
Hij was gewoon een profeet.
Onderzoek waarom Hij zo anders is.
En wanneer Mohammed als laatste boodschapper wordt gepresenteerd, onderzoek dan eveneens waarom de mensen om hem heen herhaaldelijk vroegen waarom hij geen teken ontving — en waarom de Koran hun niet antwoordt met de indrukwekkende wonderen die pas later uitgebreid in de hadith verschijnen.
Wees daarin een Bereeër.
En dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.
— Handelingen 17:11, STV
Onderzoek.
Vergelijk.
Vraag door.
En bovenal: laat niet een latere religieuze traditie bepalen wie Jezus zou mogen zijn.
Ga terug naar de getuigen van het begin.
“Je gemeente zal verdubbelen”
Het klinkt geweldig.
Je gemeente zal groeien. Je bediening zal uitbreiden. Je invloed zal toenemen. Er komt doorbraak. Meer mensen. Meer bereik. Meer zichtbaarheid.…
Uitgesproken in de gemeente door een geestdriftige spreker, welhaast met de ondertoon van een profetie, verwachtingsvol en goedkeurend ontvangen…..
En wie zou daar nou eigenlijk tegen kunnen zijn?
Dit is een van de manieren waarop succesprediking in de kerk zo gemakkelijk ingang vindt. Zij gebruikt christelijke woorden, spreekt over geloof en Gods zegen en presenteert groei als ultiem bewijs dat God hier aan het werk is.
Maar er is hier een jeukvraag die veel belangrijker is:
Waar leert de Schrift dan, dat zichtbare groei de maatstaf zou zijn voor de roeping en trouw van het Lichaam van Christus?
Het antwoord is zowel eenvoudig als duidelijk:
nergens.
De apostel Paulus zegt niet dat een gemeente succesvol zou moeten zijn.
Hij zegt:
“Voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.” — 1 Korinthe 4:2 (STV)
Daar staat Gods maatstaf.
Niet groot.
Niet invloedrijk.
Niet succesvol.
Getrouw.
En dat verschil is veel groter dan het oppervlakkig bekeken lijkt.

Een van de gevaarlijkste redeneringen binnen het moderne christendom luidt ongeveer zo:
Het groeit, dus God zegent het.
Maar dat is geen Bijbelse redenering.
” Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.
Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdel roepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen;En hun woord zal voorteten gelijk de kanker; onder welke is Hymenéüs en Filétus2 Timotheus 2:15-17 (STV)
Een moskee kan groeien. Een sekte kan groeien. Een politieke beweging kan groeien. Een commerciële onderneming kan groeien. Een dwaalleer kan zich razendsnel verspreiden.
Waarom zou numerieke groei binnen een kerk ineens een bewijs van waarheid zijn?
Een gemeente kan in enkele jaren zomaar verdubbelen terwijl de prediking oppervlakkiger wordt.
Een andere gemeente kan kleiner worden omdat zij weigert haar boodschap aantrekkelijker te maken ten koste van de waarheid.
Welke van de twee is volgens God succesvoller?
Die vraag is al helemaal verkeerd gesteld.
De Bijbelse vraag is:
Welke is Bijbelgetrouw?
Hier raakt de succesprediking aan een dieper liggend probleem.
Veel hedendaagse kerkelijke taal lijkt opvallend veel op managementtaal:
visie, leiderschap, strategie, impact, groei, bereik, doelgroep, cultuurverandering, invloed.
Natuurlijk zijn niet al die woorden op zichzelf verkeerd. Een gemeente moet ook praktische zaken organiseren.
Maar ongemerkt kan de gemeente daardoor als een onderneming worden beschouwd.
De voorganger wordt een visionair leider.
De gemeente wordt een organisatie.
De samenkomst wordt een product.
De bezoekers worden de doelgroep.
En groei wordt de KPI van Gods zegen.
Maar Paulus noemt de Gemeente geen onderneming.
Hij noemt deze het Lichaam van Christus.
“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)
Dat zet alles in een ander daglicht:
Het doel van het Lichaam is niet zichzelf groot te maken.
Het Hoofd moet de eerste plaats hebben.
Daarom hoort de belangrijkste vraag van een gemeente nooit te zijn:
Hoe krijgen wij meer mensen binnen?
Maar:
Krijgt Christus hier de eerste plaats en wordt Zijn Woord recht gesneden?
Het verlangen naar zichtbaar succes hangt dikwijls samen met een ander misverstand: de gedachte dat de Gemeente geroepen zou zijn om Gods Koninkrijk hier en nu, steeds zichtbaarder, op aarde te vestigen.
Dan ontstaan grote woorden en plannen.
We moeten steden transformeren.
De cultuur veranderen.
Invloedssferen innemen.
Het Koninkrijk zichtbaar maken.
Maatschappelijke posities veroveren.
De wereld laten zien wat de Kerk kan betekenen.
Maar Paulus wijst het Lichaam van Christus omhoog in plaats van horizontaal;:
“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” — Kolossenzen 3:1 (STV)
En vervolgens:
“Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” — Kolossenzen 3:2 (STV)
Waarom?
“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” — Kolossenzen 3:3 (STV)
Dat woord verborgen verdient aandacht.
De huidige positie van het Lichaam van Christus wordt juist niet gekenmerkt door een triomfantelijke zichtbare heerschappij over deze wereld.
Christus Zelf wordt door deze wereld niet erkend.
En de Gemeente is met Hem verbonden.
Paulus gaat nog verder:
“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;” — Efeze 2:6 (STV)
Er staat niet dat dat toekomst is, als wij goed ons best blijven doen en de juiste marktstrategie volgen.
De positie van de gelovige is helemaal niet gericht op het verwerven van een zichtbare machtspositie op aarde.
Zijn burgerschap en positie zijn in de hemel, verbonden met de opgewekte Christus.
Dat betekent niet dat een christen maatschappelijk passief moet zijn. Het betekent evenmin dat evangelisatie onbelangrijk zou zijn.
Het betekent iets anders:
aardse invloed is niet de identiteit en evenmin de roeping van het Lichaam van Christus.
Dat onderscheid verdwijnt gemakkelijk wanneer christelijk succes wordt afgemeten aan gebouwen, bezoekersaantallen, online bereik en plaatselijke invloed.
De Schrift spreekt wel degelijk over een moment waarop Christus en Zijn heerlijkheid openbaar zullen worden.
Paulus schrijft:
“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)
Let op die volgorde.
Nu: verborgen met Christus.
Straks: met Christus geopenbaard.
Dat is de essentie.
De Gemeente hoeft niet door menselijke strategie alvast zichtbaar te realiseren wat God op Zijn tijd in Christus openbaar zal maken.
Onze opdracht is niet Christus populair te maken.
Onze opdracht is Hem trouw bekend te maken.
Wanneer succes werkelijk de maatstaf van een bediening is, moeten we consequent zijn.
Dan moeten we ook Paulus langs die meetlat leggen.
En dan wordt het ongemakkelijk.
Aan het einde van zijn bediening schrijft hij:
“Gij weet dit, dat allen die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben;” — 2 Timotheüs 1:15 (STV)
Dat klinkt niet echt als gemeentegroei.
Later schrijft hij:
“zij hebben mij allen verlaten; het worde hun niet toegerekend.” — 2 Timotheüs 4:16 (STV)
Stel je voor dat dit het jaarverslag van een moderne bediening was.
Mensen afgehaakt.
Medewerkers verdwenen.
Leider gevangen.
Weinig maatschappelijke invloed.
Geen indrukwekkend gebouw.
Geen succesverhaal.
Op het oog een fiasco.
Volgens sommige hedendaagse maatstaven zou er onmiddellijk een consultant moeten worden ingevlogen.
Paulus beoordeelt zijn bediening echter heel anders:
“Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.” — 2 Timotheüs 4:7 (STV)
Dáár ligt de maatstaf.
Dit maakt het nog schrijnender.
Paulus vertelt Timotheüs niet dat trouwe prediking uiteindelijk gegarandeerd grote aantallen mensen zal trekken.
Hij zegt:
“Predik het Woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” — 2 Timotheüs 4:2 (STV)
Waarom is dat nodig?
Omdat er juist weerstand tegen gezonde leer komt:
“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;” — 2 Timotheüs 4:3 (STV)
Lees dat nog maar eens naast de voorbarig uitgesproken belofte:
Je gemeente zal verdubbelen.
De Schrift waarschuwt dat mensen de gezonde leer niet zullen verdragen.
Dat betekent dat trouw aan het Woord juist bezoekers kan kosten.
En dan?
Moeten we de boodschap dan gaan aanpassen totdat er weer groei komt?
Paulus zegt het tegenovergestelde:
Predik het Woord.
Daar ligt misschien wel het grootste gevaar van succesprediking.
Het Evangelie kan langzaam veranderen van een boodschap die verkondigd moet worden in een middel waarmee iets bereikt moet worden.
Meer bezoekers.
Meer invloed.
Een grotere kerk.
Een sterkere beweging.
Een betere samenleving.
Maar het Evangelie der genade Gods is geen marketinginstrument.
Paulus zegt:
“Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.” — Handelingen 20:24 (STV)
Opnieuw ontbreekt hier de succesformule.
Paulus wil zijn loop volbrengen.
Hij wil getuigen.
Het resultaat daarvan ligt bij God.
De succesboodschap richt de aandacht gemakkelijk op de mens:
jouw bestemming.
jouw doorbraak.
jouw invloed.
jouw succes.
jouw potentieel.
jouw droom.
Paulus’ boodschap heeft een ander middelpunt.
“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” — 1 Korinthe 2:2 (STV)
Het kruis is bepaald geen symbool van menselijke zelfverwezenlijking.
Het kruis betekent juist het einde van menselijke aanspraken.
En daarom schrijft Paulus:
“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)
Dat schuurt behoorlijk met een evangelie waarin Christus uiteindelijk degene wordt Die jouw dromen, ambities en succes mogelijk moet maken.
Het Evangelie draait niet om de verheffing van de mens, maar om de heerlijkheid van Christus.
Hier moeten we zorgvuldig blijven.
De Bijbel is niet tegen vruchtbaarheid.
Ook niet tegen gemeentegroei.
Wanneer mensen door het Evangelie tot geloof komen, is dat reden tot grote blijdschap.
Het probleem is dus niet groei.
Het probleem is groei als bewijsmateriaal van Gods goedkeuring en als doel van de bediening.
Dat zijn twee totaal verschillende dingen.
Paulus schrijft:
“Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.” — 1 Korinthe 3:6 (STV)
Dat is bevrijdend.
De dienaar plant.
Een ander begiet.
God geeft de wasdom.
Zodra wij verantwoordelijk worden gemaakt voor de gegarandeerde uitkomst — jouw gemeente zal verdubbelen — verschuift iets wat aan God behoort naar de mens.
Dit is ook pastoraal belangrijk.
Wat doet succesprediking met de voorganger die al twintig jaar trouw het Woord verkondigt aan veertig mensen?
Wat doet zij met een gemeente die kleiner wordt?
Wat doet zij met zendelingen die jarenlang arbeiden en nauwelijks resultaat zien?
Wat doet de boodschap „God wil groei, invloed en vermenigvuldiging” met hen?
Zij kan een vals schuldgevoel produceren:
Wat doen wij verkeerd?
Misschien wel helemaal niets.
Misschien weigert die voorganger gewoon zijn boodschap af te zwakken.
Misschien is hij niet hip genoeg voor Instagram.
Misschien organiseert hij geen spectaculaire diensten.
Misschien belooft hij mensen geen doorbraak.
Misschien predikt hij wel gewoon het Woord.
Dan kan een kleine gemeente in Gods ogen gezonder zijn dan een megakerk.
Want God telt niet zoals wij tellen.
Het probleem is uiteindelijk het vlees
De Schrift zegt niet:
Ontdek hoe groot jij kunt worden.
De Schrift brengt ons bij Christus.
Niet omdat verdubbeling an sich onmogelijk of verkeerd zou zijn.
Een gemeente kan verdubbelen.
Zij kan vertienvoudigen.
God kan een bediening een enorm bereik geven.
Maar niemand heeft daarom het recht daarvan een algemene geestelijke belofte te maken.
En al helemaal niet om succes vervolgens als bewijs van zalving, geloof of gehoorzaamheid te presenteren.
Want dan volgt onvermijdelijk de andere kant:
Als jouw gemeente niet verdubbelt, heb je dan te weinig geloof?
Heb je Gods visie gemist?
Ben je niet gezalfd genoeg?
Heb je onvoldoende groot gedacht?
Daar begint geestelijke manipulatie.
Een menselijke succesnorm wordt dan voorzien van Gods handtekening.
Misschien moet zij eerst leren.
Misschien moet zij dwaling opruimen.
Misschien moet zij Christus weer centraal stellen.
Misschien moeten gelovigen leren wie zij in Christus zijn.
Misschien moet de prediking dieper in plaats van aantrekkelijker.
Misschien moeten er niet meer stoelen worden neergezet, maar meer Bijbels worden opengeslagen.
Misschien moeten wij minder bezig zijn met hoeveel mensen er binnenkomen en meer met wat hun geleerd wordt wanneer zij binnen zijn.
Dat is minder spectaculair.
Maar het zou weleens veel Bijbelser kunnen zijn.
De vraag waarmee wij begonnen kunnen we daarom beantwoorden.
Waarom is het streven naar zichtbaar succes en invloed niet de roeping van het Lichaam van Christus?
Omdat het Lichaam reeds in Christus een hemelse positie heeft.
Omdat Christus het Hoofd is.
Omdat het leven van de Gemeente nu met Christus verborgen is in God.
Omdat de Gemeente niet geroepen is zichzelf te verheerlijken maar Christus bekend te maken.
Omdat groei door God wordt gegeven en niet door mensen kan worden gegarandeerd.
Omdat Paulus trouw, gezonde leer en het bewaren van het geloof als maatstaven geeft.
En omdat het uiteindelijke oordeel over onze dienst niet wordt uitgesproken door bezoekersaantallen, algoritmen, conferenties of kerkelijke jaarverslagen.
Daarom mag de tegenstelling scherp worden neergezet:
Succesprediking vraagt:
hoeveel groter ben je geworden?
De Schrift vraagt:
ben je trouw gebleven?
Een volle zaal kan indrukwekkend zijn.
Een verdubbelde gemeente kan prachtig zijn.
Een groot bereik kan nuttig zijn.
Maar geen van deze dingen bewijst dat God Zijn goedkeuring eraan heeft gegeven.
De dienaar van Christus heeft een veel eenvoudiger en tegelijk veel zwaardere opdracht:
En laat de wasdom aan God.
lees ook:
De gemeente van Jezus Christus is geen bedrijf maar een levend lichaam – Bijbelse basis