“Koning Jezus”

“Koning Jezus”

Een vaak gebruikte uitdrukking die vol ernstige eerbied en ontzag wordt gebruikt in liederen,  gebeden en preken. Ik kan me soms niet aan de indruk onttrekken dat er sprake is van jargon, vaktaal, zonder dat men volledig de inhoud begript.Ik heb het ook wel meegemaakt dat “Koning Jezus” als een soort mantra veelvuldig herhaaldelijk werd gebruikt.

Christus regeert nu niet als Koning, maar dient als Hogepriester

Wie wil spreken over het Koninkrijk van God, moet eerst helder krijgen wat Christus nú doet. Niet wat wij denken dat logisch zou zijn, en ook niet wat vaak wordt geleerd, maar wat de Schrift daarover zegt. Zodra dat punt onduidelijk wordt, raakt alles wat over het Koninkrijk gezegd wordt uit balans.

De Bijbel leert dat Christus Koning is, maar leert niet dat Hij nu al als Koning over deze wereld regeert. Dat onderscheid is wezenlijk. Het gaat niet om de vraag of Hij recht heeft op het Koninkrijk — dat staat vast — maar om de vraag wanneer Hij dat koningschap daadwerkelijk en zichtbaar uitoefent.

De verzoeking in de woestijn

Dat wordt al duidelijk in Lukas 4, bij de verzoeking in de woestijn. De duivel toont daar aan de Heere Jezus alle koninkrijken van de wereld en zegt dat die macht hem is overgegeven en dat hij die kan geven aan wie hij wil.

Opvallend is dat de Heere Jezus dit niet tegenspreekt. Hij ontkent niet dat die macht daar ligt. Hij wijst alleen die weg af die satan bedacht had. De verzoeking heeft alleen betekenis als Christus op dat moment niet regeert over de wereld. Macht die men al bezit, hoeft niet aangeboden te worden.

Dat betekent dit: Christus regeert nu niet over deze wereld.  De wereld is niet Zijn Koninkrijk en deze tijd is niet de tijd van Zijn heerschappij. Dat wil niet zeggen dat God geen controle heeft, maar wel dat de wereld onder een andere macht functioneert, totdat Gods vastgestelde moment daar is.

De overste van deze wereld

Die lijn loopt door het hele Nieuwe Testament. De Heere Jezus spreekt herhaaldelijk over “de overste van deze wereld”. Die overste is geoordeeld, maar nog niet uitgeworpen. Het oordeel is uitgesproken, maar nog niet voltrokken. Ook Paulus spreekt over “de god van deze eeuw” en over een geest die nu werkt in de ongehoorzaamheid. Zulke uitspraken zijn alleen begrijpelijk als Christus nu niet regeert als zichtbaar Koning over de wereld.

“Zit aan Mijn rechterhand totdat”

Daarmee sluiten ook de woorden van Psalm 110 precies aan. Daar zegt God tot Christus: “Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal zetten tot een voetbank Uwer voeten.” Dat zitten is geen regeren over de aarde, maar wachten. Het woord “totdat” geeft een duidelijke begrenzing aan. Er is een periode waarin Christus niet optreedt als Koning, maar wacht op het moment dat Zijn vijanden daadwerkelijk onderworpen zullen worden.

Wij zien het nog niet

De Hebreeënbrief zegt dit nog explicieter: “nu zien wij nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn.” Dat ene woord “nu” laat geen ruimte voor vergeestelijking. De Schrift zegt niet dat alles al onder Zijn heerschappij staat, maar juist dat wij dat nog niet zien.

Na Zijn opstanding is Christus daarom niet gegaan om te regeren, maar om plaats te nemen aan de rechterhand van God. Dat is niet de troon van David, maar de plaats van hemelse majesteit. Vanuit die positie oefent Hij geen wereldregering uit. Hij wacht.

Maar wachten betekent niet niets doen. De Schrift laat zien dat Christus in deze tijd een andere taak vervult. Zijn huidige bediening is niet koninklijk, maar hogepriesterlijk. Dat is geen bijzaak, maar het hart van Zijn werk nu.

De Hebreeënbrief

De Hebreeënbrief maakt dit volkomen duidelijk. Christus is ingegaan in het ware heiligdom, niet om over mensen te heersen, maar om voor God te verschijnen voor ons. Hij wordt daar niet Koning genoemd, maar Bedienaar van het heiligdom. Hij leeft om voor hen te bidden die door Hem tot God gaan. Dat is priesterlijk werk, geen regeren.

Ten behoeve van

Een koning oefent gezag uit over mensen. Een priester treedt op ten behoeve van mensen tegenover God. En precies dát doet Christus nu. Hij herstelt de wereld niet, Hij oordeelt haar niet, Hij bestuurt haar niet. Hij bewaart een geroepen volk uit die wereld.

In het Heiligdom

Dat verklaart ook waarom de wereld blijft zoals zij is. Niet omdat Christus faalt, of het niet opmerkt maar omdat Hij nu iets anders doet. Hij is Hogepriester naar de ordening van Melchizedek, niet verbonden aan een aardse tempel of een nationaal koninkrijk, maar aan een hemelse werkelijkheid. Zijn werk speelt zich niet af op het wereldtoneel, maar in het heiligdom.

Niet zichtbaar

Daarom heeft de Gemeente nu geen aardse macht en geen zichtbare heerschappij. Haar plaats is niet de troon, maar de toegang tot God. Zij deelt niet in regering, maar in genade. Niet in oordeel, maar in voorspraak.

Zo vallen de lijnen samen. Christus heeft recht op het Koninkrijk, maar oefent dat recht nu niet uit. Hij wacht met het aanvaarden van Zijn koningschap. Ondertussen dient Hij als Hogepriester. Zijn macht is er wel, maar wordt nu niet gebruikt om te heersen, maar om te bewaren.

Nu verborgen, straks openbaar

Daarom is het Koninkrijk nu verborgen. Niet omdat het niet bestaat, maar omdat de Koning wacht. Niet omdat Gods plan is veranderd, maar omdat er een vaste volgorde is. Eerst dient Christus in het heiligdom. Daarna zal Hij verschijnen om te heersen op aarde. Eerst is er genade. Daarna komt oordeel. Eerst de roeping uit de wereld. Daarna de onderwerping van de wereld.

Onderscheid zien

Wie dat onderscheid niet ziet, komt ofwel tot de gedachte dat Christus nu al regeert — terwijl de zichtbare realiteit dat duidelijk weerspreekt,  — of tot de gedachte dat Zijn Koninkrijk pas later begint te bestaan. De Schrift leert geen van beide. Zij leert een wachtende Koning en een dienende Hogepriester, totdat de dag komt waarop het wachten eindigt en het Koninkrijk openbaar wordt.

Zelf lezen in de Bijbel?:

Lukas 4:5–7
Johannes 12:31
Johannes 14:30
Johannes 16:11
2 Korintiërs 4:4
Efeziërs 2:2
Galaten 1:4

Psalm 110:1
Hebreeën 1:13
Hebreeën 2:8
1 Korintiërs 15:24–28

Hebreeën 4:14–16
Hebreeën 7:24–25
Hebreeën 8:1–2
Hebreeën 9:11–12
Hebreeën 10:12–13

Daniël 7:13–14
Openbaring 5:1–7
Openbaring 11:15
Openbaring 19:11–16

Kolossenzen 1:13
Filippenzen 3:20
Hebreeën 13:14
Romeinen 14:17

Bent u ook religieus?

Bent u ook religieus?

YouTube player

Ook religieus?

En hoe is dat met u? Bent u ook religieus? Houdt u zich ook netjes aan allerlei voorschriften? Mag ik dan eens vragen: Wat is er in uw hart? Of valt u ook in de categorie “witgepleisterde graven”, gij geveinsden”?

Zonden weggedaan

Weet u wat het tegenovergestelde van Wet doet? Weet u wat Genade doet?
Genade maakt de mens nederig. Wet maakt hem hoogmoedig. Genade maakt een mens dankbaar. Genade brengt een mens respect bij voor anderen. Genade brengt een mens die normen en waarden die men ons vanuit Den Haag niet kan geven want daar kan men alleen maar wet maken. Komt toch niet goed… en wat God ons u mij aanreikt is Genade; de Blijde boodschap dat God via de Here Jezus Christus de zonde der wereld heeft weggedragen aan het kruis van Golgotha, en dat is volgens de hoogste Rechter, dat is God zelf uiteraard, uw zonden zijn weggedaan. Voor Hem tellen ze niet meer.

Eén voor allen gestorven

Indien één voor allen gestorven is zegt mijn Bijbel, zijn allen gestorven, en het ís zo, staat er meteen achter in 2 Korinthe 5. Eén is voor allen gestorven en de bedoeling is dat waar dat zonde probleem door God zelf, de hoogste instantie die er is, is opgelost, wij vervolgens van Hem zouden aanvaarden zouden aannemen, zouden geloven, die zaligmakende Genade die verschenen is aan alle mensen. Want de Genadegift Gods is eeuwig leven. Dát is wat God je geven wil.
En daarvoor hoef je niet eerst naar Jeruzalem te gaan, om dan onderweg te gaan naar Damascus In de hoop dat God je onderweg een keer wat laat zien. En mocht u denken: “Ja maar het moet toch een keer, God moet je toch dan een keer roepen ofzo, dan kan ik u met blijdschap mededelen dat Hij dat nú doet. De Bijbel zegt dat Hij ALTIJD roept, zolang het heden genaamd wordt, en voegt eraan toe: “heden is de welaangename tijd”, en voegt er ook aan toe: “heden indien gij Zijn stem hoort verhardt uw hart niet maar láát u leiden.

Nieuwe schepping

Niet door andere mensen, niet door religieuze leiders, niet door de Wet, maar door de Heer zelf, die roept en zegt tot u: “komt allen tot Mij die vermoeid zijn, en Ik zal u rust geven. Kóm tot Mij, hóór, luister, en ge zult leven, uw ziel zal leven. Want God is Degene die weliswaar eenmaal in het verleden door Zijn Woord deze hele wereld gemaakt heeft maar die met diezelfde mond en met hetzelfde Woord gezegd heeft, dat deze wereld tijdelijk is, voorbij gaat, en met Zijn zelfde Woord, Zijn zelfde spreken, maakt Hij een nieuwe schepping.
En daarom zegt Paulus in één van zijn eerste woorden in zijn eerste brief in Romeinen 1 vers 16 “Het evangelie is kracht Gods” de Blijde boodschap de verkondiging van het Woord aangaande Christus in een Nieuw verbond. dat evangelie van Christus in zichzelf, dat Woord is kracht Gods tot zaligheid voor EEN IEDER die gelooft. Want als je niet luistert heb je er niks aan!

Je komt er niet mee weg

En vanavond roept Hij. Je komt niet weg, vanavond zeker niet, met te zeggen: “Maar ik ben al religieus..”
Dát is nou juist waar Hij je uitroept. Men zou niet zijn vertrouwen stellen op wetten en regels en op zijn eigen manier van leven hoe gedisciplineerd dat waarschijnlijk ook is, en hoe knap dat overigens ook moge zijn. Waar een mens zou komen zoals Abraham, zou gaan uit zijn land, uit zijn maagschap, en uit zijns vaders huis en op weg gaan. En de Heer zegt: “Ik zal je wijzen al de weg die gij gaan zult”.
En waarmee ook alweer zou een jongeling zijn pad rein bewaren? Als hij dat houdt naar uw Woord, Psalm 119. “Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad”. Niet menselijke overlevering, niet de Mozaïsche Wet uit geboden en inzettingen bestaande, maar het Woord van Gods Genade.

Rechtvaardigheid

Als je dat zoekt, als je waarheid zoekt, in alle oprechtheid, kom dan tot Jezus. Er is niks anders te doen dan Hem te danken en wat je dan zegt tegen Hem, dan zeg je “ spreek Heer want uw knecht hoort” als Samuel. Of je zegt: “wie zijt Gij Heere”. En later zegt diezelfde Paulus die zegt: het gaat in onze levens maar om één ding, dat we die religie achter ons laten.
Ik gun me de tijd niet om het voor te lezen maar het staat hier in Filippenzen 3, dat hij die dingen “schade en drek achtte” en hij had het over religie, “om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus Mijn Heer om wiens wil ik al die dingen schade en drek gerekend heb opdat ik Christus moge gewinnen, en in Hem gevonden worde, niet hebbende MIJN rechtvaardigheid die uit de Wet, uit religie is, maar die door het geloof van Christus is. Namelijk de rechtvaardigheid die uit het geloof is. Door het geloof opdat ik Hem kenne”.

Kent u de Heere Jezus?

En dat was wat hij tot de Heer zei toen die Hem riep: “Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij” kan gericht worden aan ieder die religieus is in de echte, ook Bijbelse betekenis van de term. En het antwoord zou moeten zijn: “Wie zijt gij Heere, ik ken U niet, maar maak U bekend. En dát gebed wordt, gegarandéérd, verhoord omdat het de wil van God Is dat wij komen tot kennis van Hem.
Ik kom uit oorspronkelijk evangelisch milieu en daarin vroegen wij elkaar: “kent u de Heere Jezus?” en dan bedoelden we echt niet of men er ooit van gehoord had. Maar wij bedoelden: “Ben je al tot geloof gekomen? Heb je jezelf al aan hem overgegeven? Heb je Hem toegelaten in je leven? Want dát is wat de Heer van ons vraagt.
Niet Wet, maar oprechte onderwerping aan Hem, en aan Zijn Woord zodat Hij door Zijn Woord, en zo werkt God altijd, door Zijn Woord. Opdat Hij door Zijn Woord Zijn Werk in ons zou doen. En nog een keer met de woorden van Paulus: “Opdat Gods kracht in onze zwakheid volbracht zal worden, tot eer van Hem in de eerste plaats, maar vervolgens ook tot redding en tot eer van ons.

Tom de Wal, de kanarie in de kolenmijn

Tom de Wal, de kanarie in de kolenmijn

Wat er vrijdagavond in Tilburg gebeurde — de arrestatie van “gebedsgenezer” Tom de Wal — is méér dan een lokaal incident in Brabant. Het is een symptoom van iets groters: de kwetsbaarheid van religieuze vrijheid in Nederland en de angstcultuur die onze openbare ruimte steeds meer in bezit neemt

De Wal, oprichter van Frontrunners Ministries, werd gearresteerd op straat omdat hij doorging met gebedsgenezingen na een verbod van de burgemeester en nadat hij door de politie uit een kerk was gehaald. Wat volgde was een korte celstraf en later zijn release — maar met de dreiging van boetes en juridische vervolging.

Dit is een protestloze, vreedzame godsdienstige handeling. Geen geweld, geen vernieling — alleen gebed. En toch werd de hand van de wet zó ingezet dat de “gebedsgenezer” werd verhinderd op publieke grond, terwijl hem het recht op geloofsbeoefening werd ontzegd. Misschien een handeling in strijd met lokale regels rond vergunningen — maar waar ligt de grens tussen ordelijke publieke orde en het ondermijnen van fundamentele religieuze vrijheid?

Een precedent dat waarschuwt

Stel je dit eens voor: een groep moslims wil midden in de stad een religieuze bijeenkomst houden — niet storend, geen geweld — maar zonder voorafgaande vergunning. De burgemeester verbiedt het, de politie meldt later dat ze zullen ingrijpen, en de organisator wordt gearresteerd omdat hij bleef bidden?

Hoe groot zou de verontwaardiging zijn? Hoe snel zouden Kamerleden, mensenrechtenorganisaties en publicisten in de pen klimmen over discriminatie en religieuze onderdrukking? De dubbele standaard wordt pijnlijk zichtbaar bij alleen al deze gedachtegang.

Het principe dat iemand gearresteerd wordt tijdens het uitoefenen van zijn geloof — mits vreedzaam — raakt aan de kern van ons grondwettelijk verankerde recht op godsdienstvrijheid.

Van protest tot symbool

Het is ook interessant dat de protesten tegen De Wal kwamen van LHBTIQA+-groepen en activisten tegen de inhoud van zijn diensten. Natuurlijk heeft iedereen het recht om zich uit te spreken tegen boodschappen waarvan hij denkt dat ze schadelijk zijn. Maar een oproep tot protest kan niet dienen als rechtvaardiging om het grondrecht van een ander te beperken.

De gemeente Tilburg handelde juridisch binnen zijn bevoegdheden wat vergunningen betreft. Tenminste, dat moet nog blijken. Maar de vraag moet gesteld worden of dit een sluipende verschuiving betekent van religieuze ruimte naar een soort vergunningstechnocratie waarbij alleen ‘acceptabele’ religieuze boodschappen worden getolereerd.

De kanarie in de kolenmijn

Tom de Wal is hier de kanarie in de kolenmijn — een vroeg signaal dat godsdienst bepaald niet immuniseert tegen maatschappelijke controledrang en culturele grenzen. Als iemand als hij, zonder enig teken van geweld of openbare wanorde, door politie en lokale overheid wordt aangepakt, dan zou dat ons allemaal moeten alarmeren. Want dat is precies hoe vrijheden langzaam worden ingeperkt en worden weggeroofd: niet in één klap, maar stap voor stap onder het mom van orde, veiligheid of protestdruk.

En dus moeten we onszelf de onvermijdelijke — en dringende — vraag stellen:

Wat zou er zijn gebeurd als deze samenkomst een islamitische signatuur had?

Zou de publieke en politieke reactie dan hetzelfde zijn geweest? Of zouden we vandaag al discussies horen over discriminatie, racisme en onrechtmatige beperking van religieuze vrijheid?

Dat dit in Nederland — het land dat zo trots is op zijn vrijheden — überhaupt maar onderwerp van debat moet zijn, zegt veel over de richting waarin we ons maatschappelijke en juridische denken bewegen.

Laten we zorgen dat de kanarie niet het zwijgen wordt opgelegd voordat we de ernst van het onzichtbare dodelijke gas in de mijn herkennen.

edit: Ik stel een massa demonstratie voor in Tilburg. Christenen, let op uw zaak !!!

Reformatorische “Zondagsverdwazing” in het nieuws

Opmerkelijk refo nieuws over “zondagsrust”

Of, zoals het hier binnenkwam:

“Zondagsverdwazing”

Omdat ik door omstandIgheden wat gemankeerd ben, en toch soms reclamevrij nieuws wil lezen, heb ik een tijdelijk abonnement op het Reformatorisch Dagblad.

Je kan je natuurlijk afvragen “Waarom dan die krant?”

Wel, dat heeft de reden dat ik totaal niet geïnteresseerd ben in bijvoorbeeld het laatste nieuws over de zoveelste borstvergroting van één of andere actrice. En bij gelegenheid staan er best goede items in het ErDee.

In de app van het ErDee las ik een typisch  refo bericht. In de rubriek economie staat er bij zondagsrust een bezorgd klinkend item met als titel “Wat te doen als je op zondag geen pakket wilt ontvangen? Vanwege het slechte weer is er een achterstand gekomen bij de pakketdiensten, die begrijpelijkerwijs graag hun achterstand weg willen werken.

Maar het Reformatorisch Dagblad geeft bij monde van de voorzitter van de Vereniging Zondagsrust de lezer het advies “om pakketjes en lectuur te weigeren aan de deur als dat op zondag bezorgd wordt” Een tekenend voorbeeld hoe eigengereide religie springlevend is anno 2026. 

Het artikel zegt dan:

Maar wat moet je doen als je principiële bezwaren hebt tegen het ontvangen van een pakket op zondag? Wegduiken als er een bezorger aanbelt en de deur niet opendoen? Hem of haar botweg wegsturen? Of toch maar aannemen dat pakketje?

deursticker zonagsrust

De Vereniging Zondagsrust adviseert bovenstaande sticker op of bij de deur te plakken met de tekst: ”Wij wensen geen lectuur/pakket, in welke vorm dan ook, op zondag te ontvangen! Dank u.” Deze sticker is gratis te bestellen bij de vereniging en werkt afdoende, zegt medewerker A. Kloppenburg. „Ik hoor daar nooit klachten over.”

En als er dan toch een pakketbezorger op zondag aanbelt? Kloppenburg: „Ik zou wel de deur opendoen, maar zeggen dat we op zondag geen pakketjes aannemen. En de bezorger vragen de volgende dag terug te komen.”

De Bijbel zwijgt trouwens categorisch over zondagsrust, je zult het tevergeefs zoeken.

Als er al over een rustdag gesproken wordt, gaat het over de shabbat , de zevende dag en niet de eerste dag (zondag) en dat was ten tijde van het oude Verbond voor het verbondsvolk Israël.

Vandaar kwam ineens de titel van dit artikel in mijn gedachten. En ik dacht aan deze tekst uit Romeinen 14

Romeinen 14:5
De een acht wel den enen dag boven den anderen dag, maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.

“Ik ben niet gekomen om de Wet te ontbinden, maar te vervullen”

Alsnog onder de wet?

“Ik ben niet gekomen om de Wet te ontbinden, maar te vervullen”

Mattheüs 5:(SV)

17 Meent niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen.
18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.
19 Zo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

 

Dit bijbelgedeelte wordt soms aangehaald om ons te vertellen dat de wet nog steeds zeggenschap heeft voor, maar meer nog over Christenen. Maar dat is een foute conclusie, gebaseerd op een verkeerde lezing van wat Jezus hier zegt

De Here Jezus spreekt vóór kruis en opstanding

Allereerst: Jezus spreekt deze woorden onder de bedeling van de wet.
Hij is nog niet gestorven, de wet is nog volledig van kracht, en Israël staat nog onder het oude verbond.

Dat Jezus de wet op dat moment niet ontbindt, is vanzelfsprekend.
Een verbond wordt niet afgeschaft vóórdat het doel ervan is bereikt

“Vervullen” is niet: voortzetten

Het sleutelwoord is vervullen.

Vervullen betekent niet:

  • bevestigen,
  • verlengen,
  • opnieuw opleggen aan anderen.

Vervullen betekent:

  • tot voltooiing brengen,
  • het doel bereiken,
  • afronden.

Wanneer een contract is vervuld, blijft het niet gelden — het is juist afgelopen.
Zo ook met de wet.

Jezus vervult:

  • de morele eisen van de wet,
  • de ceremoniële voorschriften,
  • de profetische verwachting.

Niet door ze opnieuw op de mens te leggen, maar door ze volledig op Zich te nemen

“Totdat alles is geschied”

Jezus zegt niet dat de wet blijft gelden tot het einde van de wereld, maar:

“totdat alles is geschied.”

De cruciale vraag is hier: wanneer is “alles” geschied?

Het antwoord geeft Jezus Zelf:

“Het is volbracht.”

Daarmee is:

  • de wet vervuld,
  • de vloek gedragen,
  • aan de eis voldaan.

De hemel en aarde staan nog, maar de wet heeft haar doel bereikt

Paulus spreekt expliciet verder

Als de Here Jezus in Mattheüs 5 zou leren dat de wet blijvend heersend is over gelovigen, dan zou Paulus een valse leraar zijn.

Maar Paulus zegt ondubbelzinnig:

  • wij zijn gestorven voor de wet,
  • wij zijn vrijgemaakt van de wet,
  • Christus is het einde van de wet.

De Schrift spreekt zichzelf niet tegen.
Mattheüs 5 beschrijft de weg naar het kruis.
Paulus beschrijft de situatie ná het kruis.

De diepste ironie

Ironisch genoeg bevestigt Mattheüs 5 juist het tegenovergestelde van wat men ermee wil bewijzen.

Want als:

  • de wet tot op de kleinste letter moet worden vervuld,
  • en Jezus dat volledig heeft gedaan,

dan is er niets meer over om door ons te worden vervuld.

Wie na Christus alsnog teruggrijpt op de wet, zegt in feite:

Zijn vervulling was niet genoeg.

Jezus zegt niet:

“De wet blijft voor altijd staan voor Mijn volgelingen.”

Hij zegt:

Ik zal de wet volledig tot haar doel brengen.”

En precies dát is wat Hij gedaan heeft.

Zie ook Romeinen 13:8

 

De wet onder een nieuw etiket als “Tien kernwaarden voor het leven van een christen?”

De wet onder een nieuw etiket als “Tien kernwaarden voor het leven van een christen?”

Het recyclen of heretiketteren van de Tien Geboden als “tien kernwaarden voor het christelijk leven” kan klinken als een onschuldige moderne parafrasering. In werkelijkheid is het, zacht uitgedrukt, onjuist en in het slechtste geval theologisch misleidend. De terminologie verandert, maar de functie niet. Wat niet langer wet wordt genoemd, blijft in de praktijk functioneren als wet.

Niet geïnternaliseerd, maar de relatie beëindigd


Paulus laat geen ruimte voor deze herinterpretatie. Hij zegt niet dat de wet is verzacht, geïnternaliseerd of omgevormd tot waarden. Hij zegt dat de gelovige niet onder de wet is:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”
(Romeinen 6:14, SV)

Meer nog, hij zegt dat de gelovige voor de wet gestorven is:

“6 Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwheid des Geestes, en niet in de oudheid der letter.”
(Romeinen 7:6, SV)

En hij trekt de beslissende conclusie:

“Want het einde (doel) der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft.”
(Romeinen 10:4, SV)

Deze uitspraken laten geen ruimte voor het voortbestaan van de wet onder een moreel masker.

Een bediening die voorbij is


Dit wordt nog scherper bevestigd in 2 Korinthe 3. Paulus identificeert de Tien Geboden expliciet als:

“En indien de bediening des doods, in letteren bestaande en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, ”
(2 Korinthe 3:7, SV)

En hij stelt zonder omwegen dat deze bediening teniet gedaan is:

“Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, door heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.”
(2 Korinthe 3:11, SV)

Wat teniet gedaan is, wordt niet voortgezet onder een andere naam. Spreken over kernwaarden suggereert continuïteit, terwijl Paulus juist over discontinuïteit spreekt.

In plaats daarvan introduceert hij geen nieuw moreel kader, maar een geheel andere bediening:

“Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.”
(2 Korinthe 3:6, SV)

En hij vat het resultaat samen:

“De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.”
(2 Korinthe 3:17, SV)

“Kernwaarden” is geen Bijbels begrip


Bovendien is “kernwaarden” helemaal geen Bijbels begrip. Het komt voort uit moderne management- en organisatietaal, waar het verwijst naar vaste principes die gedrag sturen, beoordelen en reguleren.

Dit concept in de theologie introduceren betekent dat men een vreemd denkkader importeert en dat vervolgens op de Schrift projecteert. Dat is geen exegese, maar herinterpretatie , of,sterker nog.-inlegkunde.

Paulus spreekt niet in termen van waarden of principes, maar in relationele categorieën:
onder de wet of onder de genade,
in Adam of in Christus,
naar het vlees of naar de Geest.

Het centrum van het christelijk leven is geen moreel systeem, maar een Persoon:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”
(Galaten 2:20, SV)

Leerstellige en pastorale gevolgen


De taal van kernwaarden bevrijdt niet; zij belast. Waarden blijven gedrag beoordelen, meten en aanspreken. Ze kunnen richting geven, maar ze geven geen leven. Op die manier wordt de druk van de wet functioneel hersteld — precies waarvoor Paulus waarschuwt:

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.”
(Galaten 5:1, SV)

Wat is nu de plaats van de Tien Geboden?

De Tien Geboden behouden hun betekenis als openbaring van Gods heiligheid en als spiegel van menselijke onmacht en tekort:

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.”
(Romeinen 3:20, SV)

Maar zij zijn niet de kernwaarden van het christelijk leven. Dat leven wordt niet gevormd door waarden, maar door gemeenschap met Christus, door de Geest.

Conclusie

>>Wat Paulus als beëindigd verklaart, kan niet worden voortgezet door het dan maar een andere naam te geven<<

Why the Ten Commandments Are Not “Ten Core Values for Christian Life”

Why the Ten Commandments Are Not “Ten Core Values for Christian Life”

 
 
 

Recycling or rebranding the Ten Commandments as Ten Core Values For Christian life may sound like a harmless modernization. In reality, it is, to put it mildly, erroneous, in a worst case theologically misleading. It changes the language, but not the function. What is no longer called law continues in real life to operate as law.

Not Internalized, but Ended Relationship

Paul leaves no room for this reinterpretation. He does not say that the law has been softened, internalized, or transformed into values. He says that the believer is not under the law:

“For ye are not under the law, but under grace.”
(Romans 6:14, KJV)

More than that, he says the believer has died to the law:

“But now we are delivered from the law, that being dead wherein we were held.”
(Romans 7:6, KJV)

And he draws the decisive conclusion:

“For Christ is the end of the law for righteousness to every one that believeth.”
(Romans 10:4, KJV)

These statements leave no space for the law to continue under a moral disguise.

A Ministry That Has Passed Away

This is confirmed even more sharply in 2 Corinthians 3. Paul explicitly identifies the Ten Commandments as:

“the ministration of death, written and engraven in stones”
(2 Corinthians 3:7, KJV)

And he states plainly that this ministry has been done away with:

“For if that which is done away was glorious, much more that which remaineth is glorious.”
(2 Corinthians 3:11, KJV)

What has been done away with is not continued under a different name. Speaking of core values suggests continuity, where Paul insists on discontinuity.

In its place, he introduces not a new moral framework, but a different ministry altogether:

“For the letter killeth, but the Spirit giveth life.”
(2 Corinthians 3:6, KJV)

And he summarizes the outcome:

“Where the Spirit of the Lord is, there is liberty.”
(2 Corinthians 3:17, KJV)

“Core Values” Is Not a Biblical Concept

Moreover, core values is not a biblical concept at all. It originates in modern management and organizational language, where it refers to stable principles that guide, evaluate, and regulate behavior.

Introducing this concept into theology imports a foreign framework and then projects it back onto Scripture. That is not exegesis, but reinterpretation or eisegesis (inlay science)

Paul does not speak in terms of values or principles, but in relational categories:
under the law or under grace,
in Adam or in Christ,
after the flesh or after the Spirit.

The center of Christian life is not a moral system, but a Person:

“I am crucified with Christ: nevertheless I live; yet not I, but Christ liveth in me.”
(Galatians 2:20, KJV)

Doctrinal and Pastoral Consequences

The language of core values does not liberate; it burdens. Values continue to assess, measure, and address behavior. They may give direction, but they do not give life. In this way, the pressure of the law is functionally restored—precisely what Paul warns against:

“Stand fast therefore in the liberty wherewith Christ hath made us free, and be not entangled again with the yoke of bondage.”
(Galatians 5:1, KJV)

What Then Is the Place of the Ten Commandments?

The Ten Commandments retain their significance as a revelation of God’s holiness and as a mirror of human inability:

“Therefore by the deeds of the law there shall no flesh be justified in his sight: for by the law is the knowledge of sin.”
(Romans 3:20, KJV)

But they are not the core values of Christian life. That life is shaped not by values, but by communion with Christ, through the Spirit.

Concluded

 

>>What Paul declares to be ended cannot be continued by renaming it<<

 

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

De vraag naar de bekering van Israël roept al snel sterke emoties en stellige uitspraken op. Sommigen menen dat alle Joden uiteindelijk vanzelf behouden worden; anderen concluderen dat Israël definitief heeft afgedaan. De Bijbel zelf kiest echter geen van beide uitersten. Zij spreekt nauwkeurig, consequent en vooral Schrift-met-Schrift.

Wie Romeinen 9–11 leest, ontdekt dat Paulus geen politiek of nationalistisch betoog houdt, maar een onderwijzing van Gods handelen in de geschiedenis.

Geen automatische behoudenis

De Bijbel leert nergens dat behoudenis collectief of vanzelfsprekend is. Ook niet voor Israël. Integendeel: steeds weer wordt gesproken over een overblijfsel.

“Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.”
(Romeinen 9:27)

Dit woord overblijfsel is geen randbegrip, maar een vaste Bijbelse lijn. God werkt niet via de massa, maar via geloof. Dat gold in de dagen van Noach, van Elia en van Jesaja — en dat geldt ook in het Nieuwe Testament.

Wie is Israël volgens de Schrift?

De kernvraag is niet of Israël belangrijk is, maar wat de Bijbel onder Israël verstaat. Paulus is daarin opvallend duidelijk:

“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”
(Romeinen 9:6)

Israël is in de Schrift geen puur etnisch begrip. Afkomst alleen is nooit beslissend geweest. Al bij Abraham wordt dat duidelijk: niet Ismaël, maar Izak. Niet Ezau, maar Jakob.

“Niet de kinderen des vleses zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.”
(Romeinen 9:8)

Israël is daarom geen vanzelfsprekend recht, maar een titel die verbonden is aan belofte en geloof.

Israël als titel en roeping

Jakob kreeg de naam Israël niet bij zijn geboorte, maar na zijn ontmoeting met God.

“Uw naam zal voortaan niet meer Jakob genoemd worden, maar Israël.”
(Genesis 32:28)

Die naam duidt roeping en erfgenaamschap aan. Wanneer het volk ongelovig wordt, kan die titel verloren gaan.

“Gij zijt Mijn volk niet.”
(Hosea 1:9)

Toch blijft God trouw aan Zijn beloften. Zelfs lo-ammi wordt uiteindelijk weer ammi.

“Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk.”
(Hosea 2:23)

Dat spanningsveld — oordeel én belofte — loopt door de hele Schrift heen.

De huidige tijd: Israël en de heidenen

Paulus leert dat Israël als volk in de tegenwoordige tijd grotendeels in ongeloof verkeert. Dat betekent echter niet dat God Zijn volk verworpen heeft.

“Heeft dan God Zijn volk verstoten? Dat zij verre!”
(Romeinen 11:1)

In deze periode verzamelt God Zich een volk uit de heidenen: de Gemeente. De zegeningen die aan Israël waren toevertrouwd, zijn in Christus terechtgekomen bij hen die geloven.

“Door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.”
(Romeinen 11:11)

Dat is geen toeval, maar onderdeel van Gods plan.

Het overblijfsel blijft bestaan

Ook nu blijft er een Joods overblijfsel dat gelooft.

“Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.”
(Romeinen 11:5)

Dat overblijfsel vertegenwoordigt Israël zoals God het rekent. Niet groot in aantal, maar wezenlijk in betekenis.

De toekomst van Israël

De Bijbel spreekt ook over een toekomstige bekering van Israël. Die zal plaatsvinden in een tijd van grote benauwdheid, wanneer een Joods overblijfsel de Naam van de HEERE zal aanroepen.

“Zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben.”
(Zacharia 12:10)

“Al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden.”
(Joël 2:32)

Op deze wijze — door bekering en geloof — zal geheel Israël zalig worden.

“En alzo zal geheel Israël zalig worden.”
(Romeinen 11:26)

Niet automatisch, niet collectief, maar op Gods wijze.

De kern samengevat

  • Behoudenis is nooit vanzelfsprekend
  • Israël is een Bijbelse titel, geen biologisch automatisme
  • God werkt door een overblijfsel
  • In de huidige tijd verzamelt God een volk uit de heidenen
  • In de toekomst zal een Joods overblijfsel tot geloof komen
  • Gods beloften falen niet, maar worden vervuld langs de weg van geloof

Paulus besluit dit gedeelte niet met een schema, maar met aanbidding:

“O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods!”
(Romeinen 11:33)

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet?

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet?

In gesprekken over wet en genade wordt vaak verondersteld dat alle mensen in dezelfde positie beginnen: eerst onder de wet, daarna door geloof bevrijd. Die gedachte klinkt logisch, maar zij is niet naar de Schrift. Paulus maakt namelijk een fundamenteel onderscheid tussen Israël en de volken. Dat onderscheid is bepalend voor de vraag of gelovigen uit de volken ooit onder de Wet zijn geweest.

Het korte antwoord is: nee.
En dat antwoord is niet gebaseerd op een systeem, maar op de Schrift zelf.

De Wet is aan Israël gegeven

De Wet is niet universeel gegeven aan de mensheid, maar specifiek aan Israël, binnen het kader van het Sinaïtisch verbond. Dat wordt in het Oude Testament expliciet gezegd:

“Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend,
Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Alzo heeft Hij geen volk gedaan;
en Zijn rechten, die kennen zij niet.”

(Psalm 147:19–20)

De volken stonden buiten dit verbond. Zij kenden de Wet niet, droegen haar niet, en stonden er niet juridisch onder.

Paulus bevestigt dit onderscheid

Paulus neemt dit onderscheid over en werkt het verder uit. In Romeinen 2 maakt hij duidelijk dat heidenen niet onder de Wet stonden:

“Wanneer de heidenen, die de wet niet hebben…”
(Romeinen 2:14)

Paulus zegt niet dat zij de Wet hadden overtreden, maar dat zij haar niet hadden. Hun verantwoordelijkheid lag niet in een verbondswet, maar in het geweten. Dat is een wezenlijk verschil.

Ook in Romeinen 2:12 wordt dit onderscheid scherp getrokken:

“Zovelen als er zonder wet gezondigd hebben,
zullen ook zonder wet verloren gaan.”

De maatstaf verschilt, de schuld niet.

“Wij” onder de Wet — niet “zij”

In Galaten 3 spreekt Paulus over mensen die onder de Wet stonden:

“Maar eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld.”
(Galaten 3:23)

Het woord wij is hier doorslaggevend. Paulus spreekt als Jood, namens Israël. Hij kan niet spreken over heidenen, want zij stonden nooit onder de Wet. Dat blijkt ook uit de context: de Wet als tuchtmeester behoort tot het Joodse bestel.

Christus verlost wie onder de Wet waren

Dat onderscheid wordt nog duidelijker in Galaten 4:

“God heeft Zijn Zoon uitgezonden, geworden onder de wet,
opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou.”

(Galaten 4:4–5)

Christus werd onder de Wet om hen te verlossen die onder de Wet stonden. Dat zijn Israëlieten. Als heidenen ook onder de Wet hadden gestaan, zou deze formulering geen enkele betekenis hebben.

Heidenen: onder zonde, niet onder de Wet

Dat heidenen niet onder de Wet stonden, betekent niet dat zij onschuldig waren. Paulus is daar helder over:

“Want allen hebben gezondigd.”
(Romeinen 3:23)

Maar schuld is iets anders dan wetsonderwerping. Heidenen stonden:

  • onder zonde,
  • onder afgoderij,
  • onder dood,

maar niet onder de Wet van Mozes.

Daarom ook geen “vrijmaking van de Wet” voor heidenen

Dit is een belangrijk gevolg. Paulus zegt tegen gelovigen uit Israël dat zij:

  • voor de Wet gestorven zijn,
  • van de Wet vrijgemaakt zijn.

Dat zegt hij niet over heidenen. Zij hoefden niet van de Wet bevrijd te worden, maar tot Christus gebracht te worden.

Dat verwoordt Paulus scherp in Efeze 2:

“Dat gij te dien tijde waart zonder Christus,
vervreemd van het burgerschap Israëls,
en vreemdelingen van de verbonden der belofte.”

(Efeze 2:12)

Niet onder de Wet — maar erbuiten.

De bron van veel verwarring

Veel verwarring ontstaat wanneer men het cruciale onderscheid tussen Israël en de volken loslaat. Dan lijkt het alsof iedereen eerst onder de Wet staat en daarna wordt bevrijd. Paulus leert dat niet.

Hij onderscheidt:

  • Israël → onder de Wet → verlost van de Wet
  • De volken → zonder Wet → ingevoegd in Christus

Wie dat onderscheid negeert, maakt van de Wet een universeel systeem en verliest zowel de helderheid van Paulus als de vrijheid van de gelovige.

Gelovigen uit de volken zijn nooit onder de Wet geweest.
De Wet was:

  • nationaal,
  • verbondsmatig,
  • tijdelijk,
  • en gericht tot Israël.

Heidenen hadden geen Wet om van verlost te worden,
maar een Redder nodig om in Christus geplaatst te worden.

Dit onderscheid bewaart:

  • de eenheid van de Schrift,
  • de kracht van het evangelie,
  • en de vrijheid van de gelovige.

.

De Wet, alleen de vloek weggenomen?

De Wet, alleen de vloek weggenomen?

Onlangs hoorde ik een spreker zeggen dat Christus alleen de vloek van de wet heeft weggenomen, terwijl de wet zelf zou blijven gelden als norm voor het christelijk leven. Die uitspraak bleef bij mij hangen, niet omdat die nieuw is, maar omdat deze wordt gebruikt zonder getoetst te worden aan wat Paulus hierover zegt.

Wanneer men de brieven van Paulus leest, blijkt deze opvatting niet houdbaar.

De vloek losmaken van de wet?

De redenering luidt meestal ongeveer zo:

“Christus droeg de straf van de wet, maar de wet zelf blijft een goede en geldige leefregel.”

Dat klinkt evenwichtig, maar het veronderstelt een scheiding die Paulus zelf niet maakt. Paulus schrijft:

Galaten 3:13
Christus heeft ons verlost van den vloek der wet.

Dat is waar — maar dit vers staat niet op zichzelf. Paulus gebruikt het als onderdeel van een betoog, niet als eindpunt.

De wet als tijdelijke orde

Enkele verzen later zegt hij:

Galaten 3:24
Zo dan, de wet is onze tuchtmeester (Grieks: pedagoog of opvoeder) geweest tot Christus.

En hij voegt daaraan toe:

Galaten 3:25
Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.

De wet wordt niet beschreven als een blijvende norm zonder sanctie, maar als een tijdelijke opvoeder met een duidelijk eindpunt.

Als alleen de vloek was weggenomen, had Paulus moeten zeggen dat de tuchtmeester blijft, maar zijn roede heeft neergelegd. Dat zegt hij niet. Hij zegt dat wij niet meer onder hem zijn.

In de Romeinenbrief laat Paulus geen ruimte voor nuance. Nog duidelijker zegt hij daar:

Romeinen 7:6
Maar nu zijn wij van de wet vrijgemaakt, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren.

Hier gaat het niet over straf, maar over binding. Men sterft niet aan een vloek, maar vanwege een rechtsverhouding. Paulus zegt niet dat de wet haar kracht verloren heeft, maar dat de gelovige voor haar gestorven is. Dat is juridisch taalgebruik. En het is definitief.

De vloek is geen los element

De gedachte dat de vloek kan worden weggenomen terwijl de wet blijft functioneren, veronderstelt dat de vloek iets bijkomstigs is. Paulus zegt het tegenovergestelde:

Galaten 3:10
Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

De vloek is geen extra sanctie, maar het onvermijdelijke gevolg van onder de wet staan. De wet eist volkomen gehoorzaamheid; en waar die ontbreekt, volgt de vloek.

Wie zegt dat de wet blijft maar de vloek verdwenen is, laat een systeem staan dat alleen kan eisen, maar niet meer kan oordelen. Dat is geen bijbels evenwicht, maar een innerlijke tegenspraak. Onhoudbaar

Christus is het einde (doel) der wet

Paulus vat zijn betoog samen in een enkele zin:

Romeinen 10:4
Want Christus is het einde der wet tot rechtvaardigheid voor een iegelijk, die gelooft.

Niet het einde van de straf. Niet het einde van het misbruik. Maar het einde van de wet als weg tot gerechtigheid.

Dat is geen nuance verschil, maar een principiële breuk.

Gevolgen voor het christelijk leven

De leer dat alleen de vloek is weggenomen, laat de christen feitelijk onder de wet staan, alleen zonder veroordeling. In de praktijk betekent dat:

  • voortdurende druk
  • onzekerheid over vrijheid
  • een verschuiving van Christus naar normering

Daarom waarschuwt Paulus:

Galaten 5:1
Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.

Waartoe vrijgemaakt?

Romeinen 7:4
Zo dan, mijne broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.

Tot Slot

Paulus leert niet dat Christus de vloek heeft weggenomen zodat de wet veilig kan blijven staan. Hij leert dat de gelovige voor de wet gestorven is, omdat Christus haar doel heeft vervuld en haar functie heeft beëindigd.

Niet de wet regeert het leven van de christen. Niet eens een wet zonder vloek.

Christus, Hij alleen.

 

De Bergrede is geen wet voor de christen

Wie de Bergrede gebruikt als leefregel voor de christen, plaatst de gelovige terug onder de wet en miskent daarmee de volle betekenis van het kruis. De Bergrede werd uitgesproken vóór Golgotha, tot mensen die onder de wet stonden. De vrijheid van de gelovige — “niet onder de wet, maar onder de genade” — was toen nog niet geopenbaard.

“Maar eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en besloten tot het geloof dat geopenbaard zou worden.”
(Galaten 3:23)

“Welke verborgenheid van alle eeuwen en van alle geslachten verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.”
(Kolossenzen 1:26)

Wie de Bergrede na het kruis als wet oplegt, negeert deze breuklijn.

Geen verzachting, maar verzwaring van de wet

Jezus verzacht in de Bergrede de wet niet, Hij verdiept haar tot in het hart. Niet alleen de daad wordt geoordeeld, maar ook de begeerte:

“Maar Ik zeg u, dat een iegelijk, die een vrouw aanziet om haar te begeren, die heeft alrede overspel met haar gedaan in zijn hart.”
(Mattheüs 5:28)

“Maar Ik zeg u, dat een iegelijk, die tegen zijn broeder zonder oorzaak toornig is, schuldig zal zijn door het gericht.
(Mattheüs 5:22)

Deze woorden maken de wet niet uitvoerbaar, maar onontkoombaar.

“Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.”
(Jakobus 2:10)

De Bergrede spreekt de mens niet vrij, maar sluit hem op onder schuld.

Wettisch gebruik ontkent het kruis

Christus heeft de gelovige van de wet verlost, niet haar verfijnd.

“Maar nu zijn wij van de wet vrijgemaakt, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren.”
(Romeinen 7:6)

“Christus heeft ons verlost van den vloek der wet.”
(Galaten 3:13)

Wie de Bergrede tot wet maakt, herintroduceert wat Christus heeft beëindigd.

Niet eis, maar leven

Het christelijke leven wordt niet gevormd door geboden, maar door een nieuwe identiteit:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”
(Galaten 2:20)

“Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.”
(Romeinen 8:1)

De gerechtigheid die de wet eist, wordt niet door de wet vervuld, maar door de Geest:

“Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.”
(Romeinen 8:4)

Conclusie

De Bergrede is geen nieuw Sinaï decreet en geen christelijke leefregel. Zij openbaart wat volmaakte gerechtigheid is, opdat de mens tot Christus zou vluchten.

“Alzo is dan de wet onze tuchtmeester geweest tot Christus.”
(Galaten 3:24)

Wie de Bergrede wettisch toepast, keert terug tot slavernij.

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.”
(Galaten 5:1)

Niet de Bergrede regeert het leven van de christen, maar Christus alleen.

Geverifieerd door MonsterInsights