De tien geboden als leefregel?

Waarom de wet geen ladder naar God is

Er zijn maar weinig onderwerpen waarbij christenen zo snel in een kramp schieten als bij de tien geboden. Zodra je zegt dat de gelovige niet onder de wet is, klinkt al gauw de verdenking:

dus jij wilt er maar op los leven?

Alsof er maar twee opties zijn: óf onder Mozes, óf morele chaos.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De Bijbel zet de gelovige niet terug onder Sinaï, maar brengt hem tot Christus. Niet tot de berg van donder, vuur en afstand, maar tot de Middelaar van het nieuwe verbond. Niet tot stenen tafelen als leefregel voor het vlees, maar tot een levende Heere Die door Zijn Woord en Geest werkt in het hart.

Paulus schrijft niet aarzelend, maar glashelder:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14 (STV)

Daar staat niet:

gij zijt onder een sanctieloze uitgeklede light-versie van de wet.

Ook niet:

gij zijt onder de wet als dankbaarheidsregel.

Er staat: niet onder de wet, maar onder de genade.

Dat ene zinnetje is genoeg om heel wat religieuze vanzelfsprekendheden te laten wankelen.

leven onder de wet of uit genade
leven onder de wet of uit genade

 

De wet begint niet met een algemeen menselijk moraalprogramma

De tien geboden worden vaak losgemaakt uit hun bedding. Dan worden ze behandeld alsof God op Sinaï een universele gedragscode gaf voor alle mensen in alle tijden, en alsof de christen daar vandaag rechtstreeks onder staat.

Maar Exodus 20 begint niet met:

mensen, hier is Mijn algemene leefregel voor de wereld.

God zegt eerst:

“Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.” Exodus 20:2 (STV)

Dat is geen losse aanhef. Dat is de historische en verbondsmatige context. De wet werd gegeven aan Israël, verlost uit Egypte, geplaatst onder het oude verbond. Sinaï is geen neutrale morele collegezaal. Sinaï is de berg waar God een verbond opricht met een volk dat zegt:

“Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.” Exodus 19:8 (STV)

Dat klinkt godsdienstig. Het klinkt gehoorzaam. Het klinkt alsof Israël de juiste houding heeft. Maar daar zit nu juist de tragiek. De mens belooft te doen wat hij niet kan volbrengen.

De wet eist alles. Niet ongeveer. Niet grotendeels. Niet met goede bedoelingen. Alles.

“Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.” Jakobus 2:10 (STV)

Daar is de scherpte van de wet. Zij is geen ladder met tien treden waarop je langzaam richting God klimt. Zij is een spiegel die laat zien dat de mens schuldig staat.

 

Sinaï was geen knus discipelschapstraject

Wie de komst van de wet in Exodus leest, ziet geen lieflijk tafereel.

Donder. Bliksem. Bazuingeschal. Een rokende berg. Een volk dat terugwijkt. Angst. Afstand.

Dat is niet toevallig. De omstandigheden passen bij de bediening die daar begint. De wet is heilig, rechtvaardig en goed, maar voor de zondige mens brengt zij geen leven voort. Zij legt bloot. Zij veroordeelt. Zij sluit de mond.

Paulus zegt:

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” Romeinen 3:20 (STV)

Let goed op: door de wet komt kennis van zonde, niet verlossing van zonde. De wet kan aanwijzen, aanklagen en veroordelen. Maar zij kan de zondaar niet levend maken.

Wie de wet preekt als weg tot heiliging, moet zich afvragen of hij niet een juk oplegt dat zelfs Israël niet heeft kunnen dragen. Petrus zei tijdens de vergadering in Jeruzalem:

“Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?” Handelingen 15:10 (STV)

Dat is geen nietszeggend zinnetje. Dat is apostolisch verzet tegen het weer opleggen van het juk.

 

Christus is niet gekomen om ons terug te sturen naar Mozes

Het evangelie is niet: Christus vergeeft u, en Mozes maakt het daarna af.

Toch lijkt dat in veel prediking wel de praktische uitkomst. Eerst wordt genade gepreekt voor de vergeving. Daarna wordt de wet weer naar voren gehaald als het systeem waaronder de gelovige moet leren leven. Zo krijg je een vreemd mengsel: Christus voor de ingang, Mozes voor de dagelijkse praktijk.

Maar Paulus zegt:

“Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.” Romeinen 10:4 (STV)

Christus is niet een tussenstation onderweg naar een betere wetsbetrachting. Hij is het einde der wet tot rechtvaardigheid. Hij heeft de wet niet half vervuld om haar daarna als geestelijke gietmal over de Gemeente heen te leggen. Hij heeft haar volbracht.

En aan het kruis is niet alleen onze schuld behandeld, maar ook het handschrift dat tegen ons was.

“Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende.” Kolossenzen 2:14 (STV)

Dat is geen kleine aanpassing binnen het systeem. Dat is een radicale overgang. Het oude verbond wordt niet opgepoetst tot christelijke levensregel. De gelovige wordt gebracht onder het nieuwe verbond, onder Christus, onder genade.

 

Niet onder de wet betekent niet zonder Christus

Hier ontstaat vaak verwarring. Zodra je zegt dat de gelovige niet onder de wet is, hoort men:

dus er is geen heiliging, geen gehoorzaamheid, geen wandel, geen vrucht.

Maar dat zegt de Schrift nergens.

Paulus, die zo scherp zegt dat wij niet onder de wet zijn, zegt even scherp:

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” Romeinen 6:15 (STV)

Genade is geen vrijbrief voor het vlees. Genade is daarentegen Gods kracht om ons uit de heerschappij van zonde en wet te trekken en ons te verbinden aan Christus.

De gelovige leeft niet wetteloos. Hij leeft niet stuurloos. Hij leeft niet als los verkrijgbaar religieus onderdeel zonder Hoofd.

Hij leeft uit Christus.

De leefregel van de gelovige is niet de stenen tafel, maar de opgestane Heer. Niet de letter als bediening des doods, maar de Geest. Niet Sinaï buiten ons, maar Christus in ons en Gods Woord dat ons denken vernieuwt.

“Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.” 2 Korinthe 3:6 (STV)

Dát is het grote verschil. De wet zegt: doe en leef. De genade zegt: leef, omdat Christus Zich voor u gegeven heeft.

 

De wet was een tuchtmeester tot Christus

De wet had een Goddelijke functie. Zij was niet fout. Zij was niet zondig. Zij was niet minderwaardig in zichzelf. Het probleem zit niet in Gods wet, maar in de mens die onder de wet staat.

De wet heeft de zonde aangewezen. Zij heeft de mond gestopt. Zij heeft de mens schuldig gesteld. Zij heeft zichtbaar gemaakt dat de mens niet alleen verbetering nodig heeft, maar verlossing.

Paulus schrijft:

“Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.” Galaten 3:24-25 (STV)

Dat laatste zinnetje wordt vaak praktisch genegeerd. De wet was tuchtmeester tot Christus. Maar als het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester.

Niet meer.

Niet toch nog een beetje.

Niet als opvoedkundig hulpmiddel voor gevorderde gelovigen.

Niet meer onder de tuchtmeester.

 

Het gevaar van christelijke wetstaal

Veel christelijke verwarring ontstaat doordat men genadetaal en wetstaal door elkaar mengt. Men zegt: wij zijn uit genade behouden.

Vervolgens zegt men: nu moeten wij uit dankbaarheid de wet houden.

Dat klinkt vroom, maar het schuurt met de apostolische boodschap Want zodra de wet weer de normgevende sfeer wordt waarin de gelovige moet staan, wordt genade praktisch uitgehold. Dan is Christus genoeg om binnen te komen, maar niet genoeg om in te wandelen.

Paulus noemt dat geen evenwicht. Hij noemt het gevaarlijk.

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” Galaten 5:1 (STV)

Dat is een bevel, maar niet een bevel om terug te keren naar Mozes. Het is een bevel om te blijven staan in de vrijheid van Christus.

De grootste bedreiging voor genade is niet altijd openlijke losbandigheid. Soms komt de bedreiging keurig aangekleed, met Bijbelteksten in de hand, met ernstige taal, met veel nadruk op gehoorzaamheid, orde en dankbaarheid. Maar onder de oppervlakte wordt de gelovige langzaam teruggeleid naar Sinaï.

En dat is geen volwassen christendom. Dat is geestelijke achteruitgang.

 

De tien geboden worden pas helder in Christus

Betekent dit dat de tien geboden waardeloos zijn? Absoluut niet. De hele Schrift is van God ingegeven. De wet openbaart Gods heiligheid, Gods recht, Gods orde en vooral: de noodzaak van Christus.

Maar de vraag is hoe wij de wet lezen.

Lezen wij haar als contract waaronder wij staan? Dan komen wij onder vloek en oordeel.

Lezen wij haar als getuigenis dat heenwijst naar Christus? Dan zien wij haar glans.

De sabbat wijst naar rust. Niet naar religieuze zaterdagkramp of zondags wetticisme, maar naar rust in het volbrachte werk van God.

Het verbod op beelden wijst niet alleen tegen afgodsbeelden van hout en steen, maar ook tegen zelfgemaakte godsbeelden: een God naar onze smaak, onze traditie, onze kerkelijke vorm, onze vrome verbeelding.

Het verbod op het ijdel gebruiken van Gods Naam gaat dieper dan vloeken. Het raakt elke vorm van religie waarin Gods Naam wordt gebruikt zonder geloof, zonder kennis van Christus, zonder werkelijkheid.

Het gebod tegen begeren legt de wortel bloot. Zonde begint niet pas in de daad, maar in het hart.

Zo wordt de wet niet kleiner, maar dieper. Alleen: zij wordt niet onze reddingsladder. Zij wordt een getuige. Een spiegel. Een schaduw. Een richtingaanwijzer naar Christus.

 

De sabbat als voorbeeld van de diepere betekenis

Neem de sabbat. Veel christenen hebben daarvan een kerkelijke zondagsplicht gemaakt. Anderen proberen de zaterdag te herstellen. Weer anderen gebruiken de sabbat als identiteitsteken.

Maar Hebreeën trekt de lijn dieper. De ware rust ligt niet in een religieus dagensysteem, maar in het ingaan in Gods rust.

“Er blijft dan een rust over voor het volk Gods. Want die ingegaan is in Zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.” Hebreeën 4:9-10 (STV)

Daar gaat het om. Rusten van eigen werken. Niet werken om voor God aanvaard te worden. Niet zwoegen om jezelf geestelijk overeind te houden. Niet leven onder een religieuze zweep.

Christus heeft het werk volbracht.

Wie dat werkelijk gelooft, krijgt geen lui geloof, maar een bevrijd geloof. Geen passieve onverschilligheid, maar vrucht uit rust. Dat is een wereld van verschil.

 

De wet op stenen tafelen of het Woord in het hart

Onder het oude verbond werd de wet geschreven op stenen tafelen. Onder het nieuwe verbond schrijft God Zijn wet in het hart. Dat is geen cosmetische aanpassing, maar een wezenlijke verandering.

Jeremia profeteerde:

“Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” Jeremia 31:33 (STV)

Dit is geen oproep om terug te keren naar stenen tafelen. Dit is de belofte van een innerlijk werk van God. Hij werkt door Zijn Woord en Geest in het hart.

Dat betekent ook: echte gehoorzaamheid begint niet met druk van buitenaf, maar met leven van binnenuit. Niet met religieuze prestatie, maar met kennis van Christus.

Je kunt iemand wel bevelen God lief te hebben, maar liefde groeit niet uit dwang. Liefde groeit uit kennen. Wie Christus ziet als Degene Die Zich over verlorenen ontfermde, Die Zich gaf voor Zijn Gemeente, Die voor zondaren stierf, die krijgt Hem lief.

Daarom is de diepste vraag niet: houdt u de wet?

De diepste vraag is: kent u de Heer?

 

Christus kennen is iets anders dan religieuze vormen beheren

Het christendom kan gevaarlijk handig worden in het bewaren van vormen terwijl de werkelijkheid wegzakt. Men bewaart het avondmaal, de doop, de liturgie, de belijdenis, de vertaling, de kerkelijke orde, de traditie. Allemaal dingen die op hun plaats betekenis kunnen hebben.

Maar zodra de vorm de werkelijkheid vervangt, blijft er een gesneden beeld over.

Dan buigt men niet voor een gouden kalf, maar voor een systeem. Voor een liturgie. Voor een kerkelijke identiteit. Voor een theologische constructie. Voor een wettisch schema dat Christus naar de rand schuift.

En dat is misschien nog verraderlijker dan platte afgoderij. Want het klinkt Bijbels. Het ruikt naar ernst. Het lijkt veilig.

Maar ondertussen is Christus niet meer de levende Middelaar, maar een onderdeel van het systeem.

Dat is eigenwillige godsdienst. Een vroom bouwwerk waarin de mens toch weer zelf aan de knoppen zit.

 

De gelovige dient niet uit dwang, maar uit nieuw leven

De genade maakt een mens niet los van God, maar juist dienstbaar aan God. Alleen is die dienst niet de slavendienst van het oude verbond. Het is de dienst van het nieuwe verbond.

Dat is belangrijk.

Onder wet vraagt de mens: wat moet ik doen om te leven?

Onder genade hoort de gelovige: Christus heeft u levend gemaakt; wandel dan waardig uw roeping.

Onder wet staat de zweep achter je.

Onder genade staat Christus vóór je.

Onder wet komt gehoorzaamheid uit angst, druk of zelfhandhaving.

Onder genade komt vrucht uit geloof, liefde en gemeenschap met de Heere.

Dat betekent niet dat de gelovige nooit aangesproken, vermaand of gecorrigeerd wordt. De brieven staan vol vermaningen. Maar die vermaningen staan altijd op de bodem van genade. Eerst wordt gezegd wie de gelovige is in Christus. Daarna klinkt: wandel dan ook overeenkomstig die roeping.

Dat is géén wetticisme. Dat is nieuwtestamentische heiliging.

 

Waarom dit zo belangrijk is

Dit is geen droog dogma voor mensen die graag schema’s maken. Het raakt het hart van het evangelie.

Als wet en genade worden vermengd, krijg je verwarde gelovigen. Mensen die wel over Christus zingen, maar innerlijk leven alsof Mozes hun aanklager en coach tegelijk is. Mensen die nooit rust vinden, omdat er altijd nog een regel, plicht, ervaring of prestatie boven hun hoofd hangt.

Dan wordt het geloof als een loopband. Je beweegt wel, maar je komt nooit waar je wezen moet.

Daarom is Galaten zo fel.

Niet omdat Paulus tegen heilig leven is, maar omdat hij weet dat wettische vermenging het evangelie aantast. Niet aan de buitenkant misschien. Daar lijkt alles vroom. Maar in de kern wordt Christus onvoldoende.

En zodra Christus onvoldoende wordt, wordt de mens weer religieus belangrijk.

Dat is precies waar genade korte metten mee maakt.

 

De Bijbelse weg

De wet is door God gegeven.

De wet is heilig.

De wet openbaart zonde.

De wet veroordeelt de mens onder haar eis.

De wet kan niet rechtvaardigen.

De wet kan niet levend maken.

De wet was tuchtmeester tot Christus.

Christus heeft de wet vervuld.

De gelovige is niet onder de wet, maar onder de genade.

De gelovige leeft niet wetteloos, maar onder Christus.

De vrucht van het christelijke leven komt niet uit Sinaï, maar uit gemeenschap met de opgestane Heere.

Dat is de lijn die vastgehouden moet worden.

Niet omdat de wet slecht is, maar omdat Christus volkomen is.

 

Blijf weg bij Sinaï als woonplaats

Sinaï heeft zijn stem laten horen. En die stem was nodig. De mens moest leren dat hij niet kan staan op grond van eigen gehoorzaamheid. De mond moest gestopt worden. De zonde moest zonde worden. De schuld moest zichtbaar worden.

Maar de gelovige woont niet bij Sinaï.

Hij is gekomen tot Christus. Tot de Middelaar van het nieuwe verbond. Tot het bloed dat betere dingen spreekt. Tot genade. Tot rust. Tot leven.

Wie de tien geboden gebruikt om de gelovige weer onder het oude verbond te trekken, verwart de bediening van de dood met de bediening van de Geest. Wie de wet leest in het licht van Christus, ziet juist hoe diep en rijk zij van Hem getuigt.

 

De vraag is dus niet of Gods wet heilig is. Dat is zij.

De vraag is of Christus genoeg is.

En het Bijbelse antwoord is niet aarzelend, niet half, niet dubbelzinnig:

JA

Christus is genoeg.

Volkomen genoeg.

Daarom is de christen niet geroepen om terug te keren naar het diensthuis, maar om te staan in de vrijheid waarmee Christus hem heeft vrijgemaakt.

Zie ook:

De vloek van de wet – Bijbelse basis

De Wet, alleen de vloek weggenomen? – Bijbelse basis

Wet en Genade sluiten elkaar uit – Bijbelse basis

“Ik ben niet gekomen om de Wet te ontbinden, maar te vervullen” – Bijbelse basis

Wat bedoelt de Bijbel met “leven uit Genade”? – Bijbelse basis

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet? – Bijbelse basis

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de wet? (2) – Bijbelse basis

De wet onder een nieuw etiket als “Tien kernwaarden voor het leven van een christen?” – Bijbelse basis

 

Hebt u de Heilige Geest ontvangen toen u tot geloof kwam?

Wat Handelingen 19 echt zegt; waarschuwing tegen geestelijke verwarring

Er zijn van die Bijbelteksten die telkens opnieuw uit de kast worden gehaald zodra men een bepaalde geestelijke ervaring wil verdedigen. Handelingen 19 is zo’n gedeelte. Paulus ontmoet in Éfeze enkele discipelen en stelt hun de vraag:

“Zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heiligen Geest is.” Handelingen 19:2 (STV)

Voor bepaalde mensen  is daarmee de zaak beslist. Zie je wel, zegt men dan, je kunt dus geloven en tóch de Heilige Geest nog niet ontvangen hebben. Eerst kom je tot geloof, later moet er nog iets bij komen: een aparte ervaring, een tweede zegen, een geestesdoop, een doorbraak, een aanraking, een impartatie, een krachtmoment.

Maar is dat wat Handelingen 19 leert?

Of wordt hier een overgangssituatie in de heilsgeschiedenis gebruikt als gietmal voor een hedendaagse ervaringsleer?

Dat is geen onbelangrijke vraag. Het raakt de zekerheid van de gelovige, het verstaan van het werk van Christus en de vraag of wij rusten in wat God in Christus gegeven heeft, of blijven jagen naar iets waarvan de Schrift gewoon zegt dat het ons al geschonken is.

wat-Handelingen19 echt zegt
Wat-Handelingen-19 echt zegt.

De vraag van Paulus was geen charismatische ‘altar call’

Paulus vraagt niet aan willekeurige religieuze zoekers of zij een bijzondere ervaring hadden gehad. Hij ontmoet discipelen. Mensen die in zekere zin volgelingen waren, maar kennelijk met een (ernstig) gebrek aan onderwijs.

Zij kenden de doop van Johannes. Zij stonden dus in de lijn van verwachting, bekering en uitzien naar de Komende. Maar zij hadden niet helemaal begrepen wat er inmiddels gebeurd was: Christus was gekomen, gestorven, opgestaan en verheerlijkt. De belofte van de Geest moest in dat licht worden verstaan.

Hun probleem was niet dat Christus (werk) onvolledig was. Hun probleem was dat hun kennis onvolledig was.

Dat is nogal een verschil.

Paulus behandelt hen daarom niet als mensen die nog een trapje hoger op een geestelijke ladder moeten. Hij onderwijst hen. Hij brengt ze bij Christus. Hij laat zien dat Johannes vooruitwees naar Hem Die na hem kwam.

“Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.” Handelingen 19:4 (STV)

De kern is dus niet: zoek een tweede ervaring.

De kern is: zie op Christus, de Gekruisigde en Opgestane, in Wie de belofte vervuld is.

 

De Heilige Geest is geen los verkrijgbare powerbank

Een groot probleem in veel moderne prediking is dat de Heilige Geest wordt losgemaakt van Christus. Dan wordt de Geest vooral verbonden met kracht, gevoel, manifestatie, profetie, tongentaal, genezing, aanbiddingshoogtepunten en bijzondere ervaringen.

Maar de Schrift verbindt de Heilige Geest veel dieper met Christus Zelf.

De Heilige Geest is de Geest van God, maar Hij wordt in het Nieuwe Testament nadrukkelijk openbaar in verbinding met de opgestane Christus.

Hij is de Geest der waarheid, de Trooster, de Geest van het leven, de Geest waardoor de gelovige deel krijgt aan Christus’ opstandingsleven.

Dat maakt een levensgroot verschil.

Want dan is de Heilige Geest niet een extra toevoeging bovenop Christus.

Hij is niet een aparte geestelijke accessoire voor wie na zijn bekering op een hoger geestelijk niveau komt. Hij is niet de beloning voor de vurigen, de gevoeligen of de geestelijk ambitieuzeren.

De Heilige Geest is verbonden met het heil in Christus.

Wie door geloof in Christus is, is niet half gered, half levend, half verzegeld en half verbonden aan God. Hij is in Christus.

Paulus schrijft aan dezelfde Efeziërs later:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” Efeze 1:13 (STV)

Let op de volgorde.

Het woord der waarheid wordt gehoord.

Het Evangelie der zaligheid wordt geloofd.

En de gelovige wordt verzegeld met de Heilige Geest der belofte.

Dat is geen wankel, zweverig ongrijpbaar iets.

Dat is Gods zegel.

 

“Nadat gij geloofd hebt” betekent niet: op een later tijdstip

Sommigen lezen Efeze 1:13 alsof daar ruimte zit voor een latere, aparte fase: eerst geloof, daarna misschien ooit de Geest.

“Nadat u geloofd hebt” betekent niet: nadat u een tijd als gelovige als kip zonder kop zonder Geest hebt rondgelopen. Het betekent: toen u tot geloof gekomen bent. Nadat het geloof begonnen is, volgt de verzegeling.

Niet als los tweede stadium, maar als onderdeel van Gods heilswerk in Christus.

Dát is de bemoediging.

De gelovige hoeft niet in onzekerheid te leven. Hij hoeft niet te denken:

Ben ik wel ver genoeg? Heb ik wel genoeg ervaren? Is mijn geloof wel aangevuld met de juiste kracht? Heb ik wel de echte Geestesdoop gehad?

NEE. De Bijbel wijst hem niet naar zichzelf, maar naar Christus.

Wie gelooft, kijkt niet naar binnen om zekerheid te vinden in de intensiteit van zijn ervaring. Hij kijkt naar Christus en naar het Woord van God.

 

Johannes 20 is belangrijker dan vaak wordt erkend

Een sleuteltekst in dit vraagstuk is Johannes 20. Op de dag van Zijn opstanding verschijnt de Heere Jezus aan Zijn discipelen. Niet met een vaag symbool, maar met een zeer betekenisvolle daad:

“En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvang de Heilige Geest.” Johannes 20:22 (STV)

Dit gebeurt niet op de Pinksterdag, maar op de dag van de opstanding.

Dat is van groot belang.

Christus blaast op hen. Adem, wind en geest liggen in de Bijbelse taal dicht bij elkaar. De opgestane Christus deelt Zijn leven mee. Het gaat om opstandingsleven. Om leven uit de dood. Om nieuwe schepping.

Zoals God bij Adam de levensadem inblies, zo blaast Christus hier op Zijn discipelen. Maar nu gaat het niet om natuurlijk leven uit de eerste schepping. Het gaat om leven uit de opstanding, leven verbonden met de tweede Mens, de laatste Adam.

De Heilige Geest is hier niet een sfeer, niet een emotie, niet een religieuze tinteling, maar het leven van de opgestane Christus.

 

Pinksteren is geen correctie op Pasen

Veel christenen denken onbewust alsof Pasen en Pinksteren twee losse geestelijke hoofdstukken zijn. Pasen is dan vergeving en opstanding. Pinksteren is kracht, ervaring en manifestatie. En vervolgens wordt er soms gedaan alsof Pasen niet genoeg is zonder een soort persoonlijk pinksterwonder.

Maar Pinksteren hóórt bij Pasen.

Pinksteren is de openlijke manifestatie van wat in Christus’ opstanding tot stand is gebracht. De opgestane Christus is de bron. De Geest wordt niet los van Hem uitgedeeld. Pinksteren is geen reparatie van een tekort in Pasen. Pinksteren is de publieke, krachtige openbaring van het opstandingsleven van Christus.

Daarom staat er in Handelingen 2:

“En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.” Handelingen 2:4 (STV)

Let op het woord “vervuld”.

Vervuld worden met de Heilige Geest is niet hetzelfde als voor het eerst de Heilige Geest ontvangen. Vervulling wijst op de werking, doorwerking, openbaring en beheersing door de Geest. Ontvangen wijst op het bezit van de Geest als gave van God.

Wie dat onderscheid kwijtraakt, raakt al snel verstrikt in verwarring.

 

Ontvangen en vervuld worden zijn niet hetzelfde

Hier ligt een belangrijk Bijbels onderscheid.

De gelovige ontvangt de Heilige Geest bij het geloof in Christus. Hij wordt verzegeld. Hij krijgt deel aan Christus’ leven. Hij is wedergeboren. Hij is van Christus.

Maar de gelovige kan wel meer of minder vervuld zijn met de Geest. Hij kan wandelen door de Geest of het vlees ruimte geven. Hij kan geleid worden in de waarheid of onwetend blijven. Hij kan geestelijk groeien of kind blijven. Hij kan de Geest bedroeven. Hij kan de werking van de Geest in zijn leven weerstaan in de praktijk.

Dat is dus heel iets anders dan zeggen dat een gelovige de Heilige Geest nog niet heeft.

De vraag moet niet zijn: heb ik als gelovige de Heilige Geest wel ontvangen?

De vraag is: leef ik uit wat God mij in Christus gegeven heeft?

Dat is scherper. En eerlijker.

 

De gelovigen in Efeze hadden vooral onderwijs nodig

De mannen in Handelingen 19 wisten niet wat “Heilige Geest” inhield. Zij kenden de prediking van Johannes, maar misten zicht op de vervulling in Christus. Hun gebrek was geen bewijs voor een normale christelijke toestand zonder Heilige Geest. Het was een overgangssituatie.

Met name Handelingen staat vol van zulke overgangssituaties. Het boek beschrijft hoe het Evangelie van Jeruzalem naar Judea, Samaria en de einden der aarde gaat. Joden, Samaritanen, heidenen en discipelen van Johannes worden in de voortgang van Gods werk zichtbaar verbonden aan Christus.

Daarom moet je Handelingen aandachtig en met onderscheid  lezen. Niet alles wat beschreven wordt, is automatisch voorgeschreven als vaste regeling van orde voor de Gemeente vandaag.

Wie van elke bijzondere gebeurtenis in Handelingen een standaardmodel maakt, bouwt zijn leer op overgangsmomenten. Dat is gevaarlijk. Dan ga je van uitzonderingen een dichtgemetseld systeem maken.

En dat is wat ik vaak zie gebeuren.

 

Tongentaal en profetie waren tekenen, geen maatstaf voor elke gelovige

In Handelingen 19 gebeurt er iets zichtbaars:

“En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.” Handelingen 19:6 (STV)

Dat wordt nogal eens gebruikt als pressiemiddel.

Men zegt dan: zie je wel, als de Geest komt, moet er iets zichtbaar gebeuren. Er moet tongentaal zijn. Er moet profetie zijn. Er moet een waarneembaar bewijs zijn.

Maar dat is een onzorgvuldige en nogal voorbarige conclusie.

In Handelingen 19 gaat het om een bijzondere bevestiging in een bijzondere situatie. Deze mannen stonden nog in de lijn van Johannes’ doop en moesten zichtbaar worden ingevoegd in de werkelijkheid van Christus’ volbrachte werk. De tekenen bevestigen dat zij niet buiten de vervulling staan.

Maar nergens leert de Schrift dat iedere gelovige tongentaal moet spreken als bewijs dat hij de Heilige Geest heeft.

Dat zou bovendien strijdig zijn met Paulus’ eigen onderwijs in 1 Korinthe 12, waar hij juist duidelijk maakt dat niet allen dezelfde gave hebben. De Geest deelt uit naar Zijn wil. De Geest is geen machine die bij iedereen hetzelfde verschijnsel produceert.

Wie tongentaal of zichtbare manifestaties tot bewijs van het hebben ontvangen van de Heilige Geest maakt, verschuift en vermagert de zekerheid in Christus naar ervaring. En dat is bepaald geen verdieping. Dat is verlies.

 

Bidden om de Heilige Geest alsof Hij nog niet gegeven is

In sommige kringen wordt gelovigen geleerd om te bidden om de Heilige Geest alsof zij Hem nog niet ontvangen hebben. Dat klinkt vroom. Het klinkt afhankelijk. Het kan ook diep verwarrend zijn.

Want als een gelovige in Christus is, verzegeld met de Heilige Geest der belofte, dan is het niet Bijbels om hem te leren bidden alsof God Zijn Geest nog moet geven.

Natuurlijk mag een gelovige bidden om vervulling, leiding, kracht, wijsheid, vrijmoedigheid, vrucht, groei en gehoorzaamheid. Natuurlijk is hij afhankelijk van de Geest. Natuurlijk kan hij zonder de werking van de Geest niets geestelijks voortbrengen.

Maar dat is iets anders dan bidden alsof hij de Geest nog niet bezit.

Het eerste is Bijbels.

Het tweede maakt onzeker.

 

De Geest leidt in de hele waarheid, niet in onzekerheid

De Heere Jezus noemt de Heilige Geest “de Geest der waarheid”. Dat is veelzeggend. De Geest is niet de Geest van verwarring, groepsdruk, religieuze opwinding, twijfel of onzekerheid

Hij leidt in de hele waarheid.

Dat betekent: Hij verheerlijkt Christus. Hij opent het Woord. Hij leert de gelovige verstaan wat hem in Christus geschonken is. Hij richt het geloof niet op zichzelf, maar op de Heere.

Daarom is gedegen onderwijs ook zo belangrijk. Paulus lost de situatie in Éfeze niet op met sfeer, muziek, emotionaliteit of massale druk. Hij legt uit. Hij wijst op Christus. Hij brengt orde in hun begrip.

Dat is vandaag de dag ook hard nodig.

Veel gelovigen zijn geestelijk onrustig, niet omdat zij te weinig ervaring hebben, maar omdat zij te weinig Bijbels onderwijs hebben ontvangen. Zij zoeken iets wat God allang in Christus gegeven heeft.

Zij wachten op een doorbraak, terwijl zij moeten leren staan in hun positie.

 

De gelovige is met Christus verbonden

De Heilige Geest ontvangen betekent dat de gelovige verbonden is met Christus. Niet oppervlakkig. Niet symbolisch alleen. Werkelijk.

Paulus zegt:

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;” Efeze 2:6 (STV)

En in Kolossenzen:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” Kolossenzen 3:3 (STV)

Dat is ontzagwekkend rijk.

De gelovige leeft niet vanuit een leegte die eerst nog gevuld moet worden door een latere extra geestelijke ervaring. Hij leeft vanuit de volheid die hij moet leren kennen, geloven en praktisch uitleven.

Hij is gestorven met Christus.

Hij is opgewekt met Christus.

Zijn leven is verborgen met Christus in God.

Hij is verzegeld met de Heilige Geest.

 

Dat is geen armoedig christendom.

Dat is geen droge leer.

Dat is de vaste grond onder het geloof.

 

De moderne ervaringsdrang maakt gelovigen arm

Hier mag het scherp gezegd worden.

Een prediking die gelovigen voortdurend vertelt dat zij méér moeten ontvangen om eindelijk echt geestelijk te zijn, kan vroom klinken, maar zij berooft hen vaak van de rijkdom die zij in Christus al hebben ontvangen.

Dan wordt Christus het begin, maar ervaring de voltooiing.

Dan wordt geloof de deur, maar manifestatie de uitwerking.

Dan wordt het Woord de aanzet, maar gevoel de bevestiging.

Dat is een gevaarlijke vervanging.

De Bijbel leert niet dat de gelovige zijn zekerheid moet zoeken in de vraag of er genoeg kracht, tinteling, tongentaal, profetie, emotie of vuur in zijn leven zichtbaar is. De Bijbel leert dat de gelovige moet rusten in Christus en wandelen door de Geest.

Dat is niet minder geestelijk. Dat is juist geestelijk.

 

Niet jagen naar een tweede zegen, maar leren wandelen in de gegeven zegen

De gelovige heeft geen tweede fundament nodig. Hij heeft onderwijs nodig in het Ene fundament.

Hij hoeft niet naar een tweede Christus, een tweede evangelie of een tweede inwijding. Hij moet leren begrijpen wat het betekent dat Christus gestorven, opgestaan en verheerlijkt is.

De Geest is gegeven om Christus te verheerlijken, niet om de aandacht van Christus af te trekken naar de ervaring van de gelovige.

Daarom is het zo belangrijk om het verschil te zien tussen:

bezit van de Geest

vervulling met de Geest

werking van de Geest

vrucht van de Geest

gaven van de Geest

leiding door de Geest

Wie dat allemaal op één hoop gooit, krijgt verwarring. En verwarring is geen vrucht van de Geest.

 

Wat Handelingen 19 ons laat zien

Handelingen 19 leert niet dat iedere gelovige na zijn bekering nog een aparte geestesdoop moet zoeken of ervaren.

Het leert dat er mensen kunnen zijn die wel onderwijs hebben ontvangen, maar nog niet helder zien wat God in Christus heeft gedaan.

Het leert dat onvolledig onderwijs moet worden aangevuld met prediking van Christus en Zijn werk.

Het leert dat Johannes niet het eindpunt was, maar de wegwijzer naar Christus.

Het leert dat de Heilige Geest verbonden is met de opgestane Heer.

Het leert dat bijzondere tekenen in Handelingen een bevestigende functie hadden in een overgangstijd.

Het leert dat de Geest de gelovige brengt tot waarheid, vrijmoedigheid en kennis van wat God geschonken heeft.

En het leert vooral dat de gelovige niet moet leven uit geestelijke onzekerheid, maar uit de vaste werkelijkheid van Christus’ volbrachte werk.

 

Dé vraag

De vraag is dus niet of een gelovige nog moet wachten op iets waardoor Christus eindelijk compleet wordt.

Christus is compleet.

Zijn werk is compleet.

Zijn opstanding is werkelijk.

Zijn Geest is gegeven.

De echte vraag is: kent de gelovige zijn rijkdom in Christus?

Weet hij wat hem geschonken is?

Wandelt hij door de Geest?

Laat hij zich leiden door het Woord?

Rust hij in Christus, of jaagt hij achter ervaringen aan die hem telkens weer onzeker maken?

Dat is de boodschap van Handelingen 19.

 

Rust in Christus, wandel door de Geest

“Hebt u de Heilige Geest ontvangen?” is geen slogan om gelovigen de onzekerheid in te jagen. Het is een vraag die ons terugbrengt naar de kern: weten wij wat God in Christus gegeven heeft?

De Heilige Geest is geen los verkrijgbaar geestelijk vuurwerk. Hij is de Geest van de waarheid. De Geest van Christus. De Geest van het opstandingsleven. De Geest waardoor de gelovige verzegeld is, onderwezen wordt, geleid wordt en leert wandelen in de werkelijkheid van Christus.

Wie gelooft in de Heere Jezus Christus, hoeft niet te leven als een geestelijke bedelaar die voor de deur blijft staan wachten op iets dat God nog zou moeten geven. Hij mag leren staan in wat God reeds gegeven heeft.

Niet opschepperig. Niet zelfverzekerd in het vlees. Niet hoogmoedig.

Maar vast, nuchter, dankbaar en Bijbelvast.

Want de rijkdom van de gelovige ligt niet in zijn ervaring.

Zijn leven is met Christus verborgen in God.

 

Handelingen 19 wordt vaak gebruikt om te leren dat gelovigen na hun bekering nog apart de Heilige Geest moeten ontvangen. Maar het gedeelte laat vooral zien dat de discipelen in Éfeze onvolledig onderwijs hadden ontvangen. Paulus wijst hen op Christus, naar Wie Johannes de Doper vooruitwees. De Heilige Geest is verbonden met de opgestane Christus en met het nieuwe leven dat de gelovige in Hem ontvangt. Wie gelooft, is verzegeld met de Heilige Geest der belofte. Vervuld worden met de Geest is belangrijk, maar dat moet niet worden verward met het fundamenteel ontvangen van de Geest bij het geloof.

 

Hebt u de Heilige Geest ontvangen?

Die vraag uit Handelingen 19 wordt vaak gebruikt om gelovigen onzeker te maken. Alsof geloof in Christus nog niet genoeg is. Alsof er na bekering nog een aparte geestelijke inwijding nodig is om écht mee te tellen.

Maar Paulus wijst de discipelen in Efeze niet naar een ervaring.

Hij wijst hen naar Christus.

De Heilige Geest is geen los verkrijgbaar krachtpakket. Hij is de Geest van de opgestane Christus. Wie gelooft, wordt verzegeld met de Heilige Geest der belofte.

De vraag is dus niet: heb ik genoeg gevoeld?

De vraag is: weet ik wat God mij in Christus geschonken heeft?

Daar begint de echte rust.

Zie ook:

heilige geest – Bijbelse basis

pinksteren – Bijbelse basis

Extern:

Bijbelstudie lezingen: De Heilige Geest- Bijbels Panorama ..

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights