Zijn de geestesgaven opgehouden?
Waarom strak cessationisme tekortschiet volgens Efeze 4
Inleiding: twee uitersten, één vals dilemma
In de studie over de geestesgaven lijkt men vaak maar twee smaken te kennen. Of men omarmt vrijwel elke geestelijke ervaring als werk van de Heilige Geest, of men stelt dat bepaalde of eigenlijk vrijwel alle gaven definitief zijn opgehouden met het einde van de apostolische tijd. Dat laatste standpunt, het strakke cessationisme, presenteert zich graag als nuchter en Schriftgetrouw. Maar wie Efeze 4 serieus leest, merkt al snel dat dit schema niet uit de tekst zelf voortkomt, maar er van buitenaf op wordt gelegd.

De oorsprong van de geestesgaven: Christus, niet de gemeente
Paulus begint niet met een tijdsbepaling, maar met een uitgangspunt dat ongemakkelijk is voor elk systeem dat Christus wil vastzetten.
“Maar aan een iegelijk van ons is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus” (Efeze 4:7, STV).
De gaven zijn van Christus. Niet van de gemeente, niet van de traditie en niet van de theologie. Wie beweert dat Christus deze gaven definitief niet meer geeft, zal dat expliciet uit de Schrift moeten aantonen. Dat bewijs ontbreekt.
Geestesgaven en Christus’ heerschappij
Paulus verbindt de gaven bovendien niet aan een tijdelijke noodsituatie, maar aan Christus’ heerschappij.
“Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven” (Efeze 4:8, STV).
Dit is geen beschrijving van een startfase die inmiddels is afgerond, maar van een Hoofd, Die uitdeelt wat nodig is voor Zijn lichaam, de gemeente, zolang zij op aarde is.
Apostelen en profeten: geen herhaling van het fundament
Apostelen in de strikte Nieuwtestamentische zin bestaan vandaag niet meer. Zij waren ooggetuigen van de opgestane Christus, rechtstreeks door Hem geroepen en dragers van uniek leergezag. Paulus schrijft dat de gemeente is
“gebouwd op het fundament der apostelen en profeten” (Efeze 2:20, STV).
Een fundament leg je één keer. Om bij het Bijbelse beeld te blijven van een bouwwerk, zoals de gemeente ook wel wordt afgebeeld.; wie vandaag apostelen (fundamentleggers) claimt met vergelijkbaar gezag, tast dat fundament aan en schuift op richting ”nieuwe openbaring”.
Hetzelfde geldt voor profeten in absolute zin. Profeten die met onfeilbaar gezag spraken en openbaring toevoegden aan Gods Woord behoren tot het fundament en deze bediening ais votooid met de voltooiing van de Schrift.
Maar wie daaruit concludeert dat elke vorm van profetisch spreken verdwenen is, zegt meer dan de Schrift zegt.
Profetie vandaag: toetsbaar en ondergeschikt aan de Schrift
Paulus zegt niet dat profetie genegeerd moet worden, maar:
“Veracht de profetieën niet; maar beproeft alle dingen” (1 Thessalonicenzen 5:20–21, STV).
Dat is veelzeggend. Toetsing veronderstelt shriftgezag, en geen toevoeging aan de Schrift. Profetisch spreken kan alleen bestaan in volledige ondergeschiktheid aan het Woord, lokaal, corrigeerbaar en gericht op opbouw. Zodra iemand spreekt met absoluut gezag of zich beroept op directe woorden van God die niet getoetst mogen worden, is de grens overschreden.
Het doel van de geestesgaven: opbouw van de gemeente
Paulus laat geen twijfel bestaan over het doel van de gaven.
“Tot volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus” (Efeze 4:12, STV).
Dat doel is vandaag niet minder actueel dan in de eerste eeuw. De gemeente is niet af, en bovendien niet vrij van dwaling. Toch beweert strak cessationisme dat Christus Zijn middelen heeft ingetrokken terwijl Zijn doel nog openligt.
Het beslissende woord: “totdat”
Het kernvers volgt direct daarna.
“Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus” (Efeze 4:13, STV).
Dat woord “totdat” is doorslaggevend. Paulus koppelt de gaven niet aan de canon, niet aan het sterven van de apostelen, maar aan een toekomstig eindpunt. Wie beweert dat dit “totdat” al achter ons ligt, zal moeten uitleggen waarom de gemeente nog steeds, ook zichtbaar, onvolwassen is.
Bescherming tegen dwaling: actueler dan ooit
Paulus noemt ook het gevaar waarvoor deze gaven nodig zijn.
“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, heen en weder bewogen en omgevoerd met allen wind der leer” (Efeze 4:14, STV).
Dat is niet zomaar een historische voetnoot, maar eerder een scherpe diagnose van de gemeente vandaag. Juist in een tijd van leerstellige modes en geestelijke verwarring zou Christus geen middelen meer geven om Zijn gemeente te beschermen? Dat is niet vol te houden.
Geen charismatische willekeur, geen theologische kramp
Dit betoog is allesbehalve een pleidooi voor ongeremde charismatische praktijken. De Schrift roept op tot orde, onderscheiding en toetsing. Maar toetsing veronderstelt aanwezigheid. Je beproeft geen gaven die per definitie niet meer zouden bestaan. De Bijbel zegt niet: verwerp profetie omdat zij is opgehouden, maar: beproef, toets, aan het Woord.
Wat nu? Christus begrenzen of Christus gehoorzamen?
Paulus sluit af met het echte doel
“Maar de waarheid betrachtende in liefde, in alles zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus” (Efeze 4:15, STV).Geen spektakel, gevoelsuitingen, of “bovennatuurlijke” zaken, maar groei. Geen gezagsclaims, maar opbouw.
Strak cessationisme wil veiligheid bieden, maar doet dat door meer te zeggen dan de Schrift zegt. Het sluit de deur die de Bijbel openlaat en beperkt Christus om de gemeente te verzorgen.
Efeze 4 laat geen ruimte voor nieuwe apostelen met absoluut gezag. Maar het laat ook geen ruimte voor een allesblokkerend veto.Het laat wél ruimte voor nuchterheid, onderscheiding en gehoorzaamheid aan het Woord.