Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet?
In gesprekken over wet en genade wordt vaak verondersteld dat alle mensen in dezelfde positie beginnen: eerst onder de wet, daarna door geloof bevrijd. Die gedachte klinkt logisch, maar zij is niet naar de Schrift. Paulus maakt namelijk een fundamenteel onderscheid tussen Israël en de volken. Dat onderscheid is bepalend voor de vraag of gelovigen uit de volken ooit onder de Wet zijn geweest.
Het korte antwoord is: nee.
En dat antwoord is niet gebaseerd op een systeem, maar op de Schrift zelf.
De Wet is aan Israël gegeven
De Wet is niet universeel gegeven aan de mensheid, maar specifiek aan Israël, binnen het kader van het Sinaïtisch verbond. Dat wordt in het Oude Testament expliciet gezegd:
“Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend,
Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Alzo heeft Hij geen volk gedaan;
en Zijn rechten, die kennen zij niet.”
(Psalm 147:19–20)
De volken stonden buiten dit verbond. Zij kenden de Wet niet, droegen haar niet, en stonden er niet juridisch onder.
Paulus bevestigt dit onderscheid
Paulus neemt dit onderscheid over en werkt het verder uit. In Romeinen 2 maakt hij duidelijk dat heidenen niet onder de Wet stonden:
“Wanneer de heidenen, die de wet niet hebben…”
(Romeinen 2:14)
Paulus zegt niet dat zij de Wet hadden overtreden, maar dat zij haar niet hadden. Hun verantwoordelijkheid lag niet in een verbondswet, maar in het geweten. Dat is een wezenlijk verschil.
Ook in Romeinen 2:12 wordt dit onderscheid scherp getrokken:
“Zovelen als er zonder wet gezondigd hebben,
zullen ook zonder wet verloren gaan.”
De maatstaf verschilt, de schuld niet.
“Wij” onder de Wet — niet “zij”
In Galaten 3 spreekt Paulus over mensen die onder de Wet stonden:
“Maar eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld.”
(Galaten 3:23)
Het woord wij is hier doorslaggevend. Paulus spreekt als Jood, namens Israël. Hij kan niet spreken over heidenen, want zij stonden nooit onder de Wet. Dat blijkt ook uit de context: de Wet als tuchtmeester behoort tot het Joodse bestel.
Christus verlost wie onder de Wet waren
Dat onderscheid wordt nog duidelijker in Galaten 4:
“God heeft Zijn Zoon uitgezonden, geworden onder de wet,
opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou.”
(Galaten 4:4–5)
Christus werd onder de Wet om hen te verlossen die onder de Wet stonden. Dat zijn Israëlieten. Als heidenen ook onder de Wet hadden gestaan, zou deze formulering geen enkele betekenis hebben.
Heidenen: onder zonde, niet onder de Wet
Dat heidenen niet onder de Wet stonden, betekent niet dat zij onschuldig waren. Paulus is daar helder over:
“Want allen hebben gezondigd.”
(Romeinen 3:23)
Maar schuld is iets anders dan wetsonderwerping. Heidenen stonden:
- onder zonde,
- onder afgoderij,
- onder dood,
maar niet onder de Wet van Mozes.
Daarom ook geen “vrijmaking van de Wet” voor heidenen
Dit is een belangrijk gevolg. Paulus zegt tegen gelovigen uit Israël dat zij:
- voor de Wet gestorven zijn,
- van de Wet vrijgemaakt zijn.
Dat zegt hij niet over heidenen. Zij hoefden niet van de Wet bevrijd te worden, maar tot Christus gebracht te worden.
Dat verwoordt Paulus scherp in Efeze 2:
“Dat gij te dien tijde waart zonder Christus,
vervreemd van het burgerschap Israëls,
en vreemdelingen van de verbonden der belofte.”
(Efeze 2:12)
Niet onder de Wet — maar erbuiten.
De bron van veel verwarring
Veel verwarring ontstaat wanneer men het cruciale onderscheid tussen Israël en de volken loslaat. Dan lijkt het alsof iedereen eerst onder de Wet staat en daarna wordt bevrijd. Paulus leert dat niet.
Hij onderscheidt:
- Israël → onder de Wet → verlost van de Wet
- De volken → zonder Wet → ingevoegd in Christus
Wie dat onderscheid negeert, maakt van de Wet een universeel systeem en verliest zowel de helderheid van Paulus als de vrijheid van de gelovige.
Gelovigen uit de volken zijn nooit onder de Wet geweest.
De Wet was:
- nationaal,
- verbondsmatig,
- tijdelijk,
- en gericht tot Israël.
Heidenen hadden geen Wet om van verlost te worden,
maar een Redder nodig om in Christus geplaatst te worden.
Dit onderscheid bewaart:
- de eenheid van de Schrift,
- de kracht van het evangelie,
- en de vrijheid van de gelovige.
.
