Over het zwijgen waar de Schrift spreekt, en over een term die de Bijbel niet gebruikt
“En de zaligheid is in geen ander; want er is onder de hemel geen andere Naam, die onder de mensen gegeven is, waardoor wij moeten zalig worden.”
(Handelingen 4:12)
In onze tijd heeft zich een opmerkelijk taalgebruik genesteld in religieuze kringen, met name aangeduid als “Messiasbelijdende Joden”. Die term klinkt vroom, zorgvuldig en verbindend. Maar deze is buitenbijbels. De Schrift kent hem niet. Deze spreekt niet over Messiasbelijdenden, maar over gelovigen, discipelen en — voor het eerst in Antiochië, dat is gelegen in het tegenwoordige Turkije— Christenen.

Dat is geen detail. Taal openbaart leer
Wanneer Lukas schrijft:
“En het geschiedde, dat de discipelen eerst te Antiochië christenen genoemd werden.”
(Handelingen 11:26)
Dan introduceert hij geen eigentijdse veilige ‘safespace’ naam, maar noteert hij een feitelijke identiteit. Zij werden niet “Messiasbelijdend” genoemd, maar Christenen — mensen die onlosmakelijk verbonden waren met Christus, dat wil zeggen: Jezus, Die DE Christus is.
De term ”Messiasbelijdend’ lijkt voorzichtig en eerzaam, maar is leerstellig vaag. Zij belijdt een titel, niet expliciet een Naam. En precies dáár wringt de schoen.
Wanneer Petrus op de Pinksterdag het Evangelie verkondigt, spreekt hij niet in eufemistische of omtrekkende bewegingen. De Schrift zegt uitdrukkelijk dat hij vrijuit sprak. De bedekking is voorbij. Geen voorafschaduwing meer, geen reserve, geen diplomatie. Hij zegt:
“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.”
(Handelingen 2:36)
Let op de volgorde:
niet eerst Christus, maar dezen Jezus;
niet een concept, maar een Persoon;
niet een titel zonder adres, maar een Naam die confronteert.
Het is precies die Naam die het hart vol treft, want onmiddellijk daarop volgt:
“En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart.”
Aanstoot
De aanstoot zit niet in het woord Messias. Die verwachting bestond al eeuwen. De aanstoot zit in de identificatie: Jezus van Nazareth is de Christus. Dáár breekt het.

Dat blijkt opnieuw wanneer Petrus en Johannes voor het Sanhedrin verschijnen. De vraag luidt niet of zij in God geloven, niet of zij de Messias verwachten, maar:
“Door welke naam hebt gij dit gedaan?”
En het antwoord is onverminderd scherp:
“Door de Naam van Jezus Christus, de Nazarener.”
Daar begint de vervolging. Niet door Rome, maar door religie. Niet vanwege een ethiek, maar vanwege een Naam. En juist daar spreekt Petrus de woorden die elk Naam-vermijdend spreken ontmaskeren:
“En de zaligheid is in geen ander.”
De Schrift laat geen ruimte voor een tussencategorie. Geen veilige zone tussen joods en christelijk. Geen derde identiteit. De Bijbel kent geen Messiasbelijdende beweging als aparte categorie. Zij kent gelovigen in Jezus Christus.
Dat wordt volstrekt helder wanneer Johannes schrijft:
“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.”
(Johannes 1:12)
Aannemen is hier geen culturele positionering en geen identiteitsconstructie. Aannemen is geloven in Zijn Naam. Niet in een titel, niet in een rol, niet in een functie — maar in de Naam van Hem Die vlees geworden is.
Bekering
Daarom kan bekering nooit losgemaakt worden van die Naam:
“Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus.”
(Handelingen 2:38)
De Schrift kent geen bekering tot “de Messias” zonder Jezus. Geen verzoening met God buiten de Zoon. Geen geloof dat zich verschuilt achter termen die de aanstoot neutraliseren.
Juist daarom waarschuwt Paulus met grote ernst:
“Indien iemand een anderen Jezus predikt, dien wij niet gepredikt hebben…”
(2 Korinthe 11:4)
Een andere Jezus hoeft geen openlijke ontkenning te zijn. Het kan ook een Jezus zijn die vervangen wordt door een titel, verdund tot een abstracte Messiasfiguur, losgemaakt van Zijn Naam, Zijn kruis en Zijn verwerping.
De Schrift noemt dat geen gevoeligheid, maar misleiding.
Christus Zelf zegt:
“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven.”
En die Christus wordt in de Schrift altijd bij Name genoemd. Wie de Naam ontwijkt, ontwijkt niet slechts een woord, maar de Waarheid Zelf. Niet de titel, maar de persoon
Daarom is het niet onschuldig wanneer men zich liever Messiasbelijdend noemt dan Christen. Het is geen nuance, maar een verschuiving. De Bijbel kent geen geloof dat zichzelf definieert buiten de Naam van Jezus Christus.
Eerbied die zwijgt waar God spreekt, is geen eerbied.
Identiteit die de Naam vermijdt, is geen bijbelse identiteit.
Er is maar één Naam gegeven.
Niet om omzichtig te hanteren,
maar om te geloven, te belijden
en — indien nodig — omwille van die Naam verworpen te worden.
Want zo zijn zij genoemd:
Christenen.
zie ook: