Onno Hoes en de Heilige Vergunning
Een losgezongen bestuurlijke klucht in meerdere bedrijven
Ergens in Tilburg, verdwaald tussen het stadhuis en de laatste restanten van gezond verstand, besloot burgemeester Onno Hoes dat bidden zonder toestemming voortaan een risico voor de openbare orde vormt. Niet omdat er rellen waren. Niet omdat er geweld dreigde. Maar omdat het formulier ontbrak.
En in de wereld van het moderne bestuur is een ontbrekend formulier erger dan een ontbrekende moraal.
Wat zich die avond voltrok, was geen handhaving maar kantoorhumor met wapenstok. Een groep mensen die zong en bad, werd behandeld alsof zij op het punt stonden een illegaal techno-evenement te ontketenen. Agenten die een gebed afbreken — het is een beeld dat men eerder verwacht in een satire over Oostblok-bureaucratie dan in een Nederlandse provinciestad.

Kantoortijden
Vrijheid van godsdienst? Zeker. Maar wel binnen kantoortijden. En uitsluitend na goedkeuring van afdeling Vergunningen, Toezicht en Geloofsbeleving. Artikel 6 van de Grondwet bleek die avond geen grondrecht, maar een suggestie – handig zolang het uitkomt, hinderlijk zodra het stoort.
Toen de samenkomst zich naar buiten verplaatste, werd het drama een farce. Zingende mensen op straat vormden kennelijk zo’n gruwelijke existentiële bedreiging voor het gemeentelijk gezag dat arrestatie zondermeer noodzakelijk was. Een prediker werd afgevoerd alsof hij betrapt was op wildplassen tegen het stadhuis. Orde was er al – maar orde moest gevoeld worden.
En dan de apotheose: de burgemeester, onwankelbaar in zijn zelfbeeld, verklaarde dat hij het “morgen weer zou doen”. Dat ene zinnetje legt alles bloot. Geen twijfel. Geen reflectie. Geen besef van disproportie. Slechts het serene vertrouwen van iemand die meent dat zijn geleende macht automatisch gelijk heeft.
Schaamte
Inmiddels weten we beter. Geen strafzaak. Geen veroordeling. Geen juridische basis. Wat resteert is bestuurlijke schaamte,al lijkt die niet overal doorgedrongen. Want wie een gebed laat beëindigen door de politie en dat achteraf nog eens verdedigt, is geen behoeder van vrijheid, maar een beheerder van regels zonder inhoud.
Dit was geen incident. Dit was een symptoom. Van een bestuurscultuur die liever controleert dan begrijpt, liever verbiedt dan verdraagt. Waar vrijheid slechts gedoogd wordt zolang zij niet zichtbaar, hoorbaar of principieel is.
Een stad waar bidden eerst vergund moet worden, is geen vrije stad.
De clown
En een burgemeester die dat normaal vindt, speelt geen hoofdrol, maar is de clown in zijn eigen bestuurlijke circus.
En dan, alsof de werkelijkheid zelf nog één keer het doek opentrekt, volgt het onvermijdelijke oordeel: het Openbaar Ministerie vernietigt het hele bestuurlijke bouwwerk met één pennenstreek. Geen strafbaar feit. Geen zaak. Geen juridische grond. Wat met zoveel vertoon van gezag werd afgedwongen, blijkt achteraf niets meer dan lucht en papier.
Het OM doet wat de burgemeester naliet: lezen wat de wet daadwerkelijk zegt. En daarmee verandert de tragikomedie in een klucht.
Want wat resteert er van stoer optreden, wanneer het recht het toneel oploopt en zegt: dit had nooit gemogen?
Oh ironie
De ironie is messcherp: de enige instantie die werkelijk orde herstelt, is niet het gemeentebestuur, maar het strafrecht dat weigert mee te spelen. Het machtsvertoon wordt niet bevestigd, maar ontmaskerd. Wat overblijft is een burgemeester die “het morgen weer zou doen”, terwijl vaststaat dat het gisteren al onrechtmatig was.
Zo eindigt deze voorstelling niet met applaus, maar met stilte.
Niet de stilte van een beëindigd gebed-
maar die van een besluit dat juridisch is afgeserveerd.
zie ook:
“Ja maar…”
Ten overvloede: de leer van TdW is genoeg op aan te merken, en dan druk ik me vredelievend uit.
Maar dat was het punt hier niet…