Wat is de gemeente, wat is ze niet?

Brochure geheel belangeloos ingescand, bewerkt en aangeleverd door broeder en vriend Hans

I. Het Wezen van de Gemeente

Aan niets heeft de Gemeente van Jezus Christus in onze dagen meer behoefte dan dat in haar de grondwaarheden van de Christelijke hoop weer levend en zichtbaar worden. Wij moeten helaas de klacht uitspreken, die eigenlijk ook een aanklacht is, dat de Kerk van Christus deze grondwaarheden met hun wonderbare perspectieven voor de eindtijd verduisterd heeft ten gunste van een ontwikkelingsleer over wereldverbetering en maatschappijvernieuwing, die echter noch Bijbels gegrond noch door de loop der geschiedenis gerechtvaardigd is.

De zelfbezinning van de Gemeente moet beginnen met de terugkeer tot het fundament van de Schrift en tot de verwachting van de Christelijke hoop. Een bekend theoloog heeft eens verklaard:”Verheerlijkte lichamelijkheid is het einde van al Gods wegen”. Bijbels uitgedrukt betekent dit niets anders, dan: “Wij geloven in de oprichting van het Duizendjarig Vrederijk en in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont”. Maar de weg daarheen is niet wereld-verbetering of maatschappij-vernieuwing als gevolg van de geleidelijke doorwerking van het Evangelie; maar de voltooiing der Gemeente, de openbaring van de antichrist, de verlossing van het Joodse volk en de komst van de Here Jezus Christus uit de hemel tot oprichting van Zijn Rijk op aarde. In deze keten van de Christelijke hoop is de belangrijkste schakel in deze bedeling het “geheimenis der Gemeente”— haar wezen, haar ontwikkeling, en haar betekenis als het lichaam van Christus.

Allereerst een enkel woord over de plaats, die de Gemeente volgens de Schrift in het heilsplan van God inneemt.

1. De Gemeente is niet Israël

Het moet voor ons vaststaan, dat er volgens de Schrift verschillende huishoudingen van God zijn. Israël, het volk der verkiezing, heeft zijn bijzondere plaats en de overige mensheid, de heidense volkerenwereld, heeft eveneens zijn plaats in Gods eeuwig raadsplan. God heeft met Zijn volk Israël een speciaal plan en Hij heeft ook met de heidense volkeren een speciaal plan en Hij heeft ook met de heidense volkeren een speciaal plan. Het feit, dat men deze twee verschillende huishoudingen Gods met elkaar vermengde, zodat men wat voor Israël gold, ook op de heidenwereld toepaste en omgekeerd, heeft op hopeloze wijze de Christelijke hoop verduisterd. Voor vele Christenen is daardoor de blik op het bijzondere wezen van de Gemeente in sterke mate vertroebeld.

2. De Gemeente is niet het Koninkrijk

Ook dienen wij duidelijk het onderscheid te zien tussen het Koninkrijk Gods en de Gemeente Gods. De Gemeente Gods behoort wel tot het Koninkrijk Gods, dat alles-omvattend is. Maar het Koninkrijk of de zichtbare oprichting van de heerschappij van Christus behoort niet tot het wezen der Gemeente.
De begrippen “Koninkrijk Gods” en “Gemeente Gods” zijn niet synoniem; beide dekken elkaar niet. Het “Koninkrijk Gods” loopt in verschillende vormen door alle bedelingen of eeuwen heen; de “Gemeente van Jezus Christus” wordt alleen in deze tegenwoordige eeuw geformeerd. Het Koninkrijk Gods omvat de gehele schepping, hemel en aarde, engelen, mensen en volkeren. Tot de Gemeente van Jezus Christus behoren geen engelen, noch volkeren, maar alleen “uitverkorenen” en “geliefden”, “heiligen” en “geroepenen” — d.w.z. slechts een deel (minderheid) van de mensheid. In het Koninkrijk Gods zijn onderdanen, wetten, instellingen, een Koning en veel zichtbare pracht en heerlijkheid. De Gemeente van Jezus Christus is een wonderbaar, onzichtbaar organisme — een lichaam, dat uit Hoofd en leden bestaat — zonder wetten, zonder instellingen, zonder dwang van buiten. Het Koninkrijk Gods wordt niet eerder op aarde geopenbaard, dan
nadat de Gemeente Gods, de hemelse koninklijke familie, voltooid en verheerlijkt is. De Gemeente van Jezus Christus is een schare van eerstelingen (Jak. 1 :18), die in deze eeuw door de werkzaamheid van de Heilige Geest, uit alle volkeren, zowel heidenen als Joden, verzameld worden, en die aan het beeld van de Zoon van God gelijkvormig zullen worden, “opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen” (Rom. 8 : 29). Het Koninkrijk Gods heeft in de eerste plaats te maken met de vestiging van de Koningsheerschappij van Jezus Christus op de aarde, zoals die op machtige wijze geschilderd wordt in de Oud-Tgstamentische beloften en profetieën (Jes. 11, 35, enz.). In dit Koninkrijk zal Christus de beschikking hebben over het gehele uitverkoren volk van Israël. En door Israël zullen ook de overige volken gezegend worden, zoals de profeten eenstemmig betuigen.

Maar de tijd van de Christusregering op aarde is nog niet gekomen. Israël heeft de Here verworpen en als gevolg daarvan wordt nu in de tegenwoordige eeuw eerst de Gemeente Gods bijeenvergaderd. Het is de Heilige Geest, die in deze bedeling het wonderbare organisme van het “lichaam van Christus” formeert door de uitroeping van zowel Joden als heidenen, die zich aan het beeld van Jezus Christus gelijkvormig laten maken (Ef. 4 : 10-13, Hand. 15 : 14-16).

3. De Gemeente is een verborgenheid.

De Gemeente van Jezus Christus is een “verborgnheid”, een “geheimenis”. Deze verborgenheid wordt ons door Christus geopenbaard in de gelijkenissen van Mattheüs 13 betreffende het Koninkrijk der hemelen. Jezus heeft deze gelijkenissen pas uitgesproken, nadat de officiële leiders van Israël Hem verworpen hadden. Uit deze gelijkenissen blijkt duidelijk, dat de oprichting van het Koninkrijks Gods op aarde niet meer “nabij” is; het is uitgesteld tot aan het einde van deze eeuw — vergelijk de gelijkenis van het onkruid en de tarwe; van het visnet; en van de edelman, die buitenslands trok. Het scheppen van Koninkrijk-toestanden is in deze bedeling niet meer aan de orde. In plaats daarvan wordt het wonderbare lichaam van de Gemeente van Jezus Christus geformeerd. Daarom lezen wij: “Het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar gerechtigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest” (Rom. 14 : 17); en het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk vertoon, d.w.z. met uiterlijke inzettingen, vormen en wetten, maar het is midden onder u — weliswaar onzichtbaar.
De Gemeente van Jezus Christus schept in deze eeuw geen nieuwe wereldorde, geen nieuwe maatschappij, maar zij wordt door de werkzaamheden van de inwonende Heilige Geest opgebouwd “tot één volkomen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus” (Ef. 4 : 12, 13). Een kerk, een Gemeente van Jezus Christus, die in deze eeuw regeren wil, loopt ernstig gevaar een “hoer” te worden. Gods doel en werk in deze eeuw is de uitroeping van de Gemeente, in de opbouw en de volmaking van het lichaam van Christus. Dienstknechten van God dienen dan ook in al hun arbeid dit doel in het oog te houden, alleen dan zijn zij ware “arbeiders in Gods Koninkrijk” en bevorderen zij de komst van dat Koninkrijk. Alle inspanningen van sociale, politieke, religieuze en culturele aard, waar de kerk in onze tijd vol van is, zijn “hout, hooi, en stoppelen” en zullen eenmaal verbranden (1 Kor. 3: 10-13). Het werk en de taak van de Gemeente is niet, de wereld te reformeren, maar zich onbevlekt van de wereld te bewaren.

4. De Gemeente is het lichaam van Christus

De Gemeente is het lichaam van Christus. Dit is een verborgenheid, die in het bijzonder aan de apostel Paulus geopenbaard werd (Ef. 3 : 1-6). Zij is een uniek organisme, bestaande uit Hoofd en leden, en zij wordt genoemd “de Christus” (1 Kor. 12 : 12), of “de volheid van Christus” (Ef. 1 : 23), of “de volle maat van de Goddelijke wasdom” (Ef. 4 : 13), of “Zijn heerlijkheid”. Wat de Zoon aan heerlijkheid is toegedacht, dat deelt de Gemeente met de Zoon. “Weet gij niet, dat wij de engelen zullen oordelen?” (1 Kor. 6 : 3).

Alvorens het Koninkrijk der hemelen op aarde komen kan, moet het lichaam van Christus eerst voltooid, opgenomen en verheerlijkt worden. De bede “Uw Koninkrijk kome” is dus gelijk aan de roep “Kom haastig, Here Jezus!”. Het Koninkrijk Gods op aarde te willen brengen of bevorderen door middel van sociale, politieke en culturele inspanningen is ijdel. De uitdrukking “het Koninkrijk Gods bouwen” is misleidend en heeft in de Schrift geen enkele steun. De Gemeente Gods, het lichaam van Christus, wordt gebouwd. Het Koninkrijk Gods komt en wordt niet gebouwd. In deze eeuw gaat het uitsluitend om de Gemeente van Jezus Christus, en het Koninkrijk Gods is in haar slechts aanwezig als een verborgenheid, die alleen aan de kinderkens geopenbaard, maar voor de wijzen en verstandigen dezer wereld verborgen is. Hoewel zij ogen hebben om te zien, zien zij niet; hoewel zij oren hebben om te horen, horen zij niet (Matthes 13). In de dagen des vleses van onze Here Jezus Christus was er “Koninkrijk-prediking”; omdat door de aanwezigheid van de Koning het “Koninkrijk der hemelen” was “nabij gekomen” (Matth. 3 : 2; 4 : 23; 10 : 7). Na de verwerping van de Koning werd Zijn Koninkrijk uitgesteld, en hield
de Koninkrijk-prediking op. Na de voltooiing en de opname der Gemeente zal echter het “Evangelle des Koninkrijks” opnieuw gepredikt worden over de gehele aarde, omdat door de nadering van de wederkomst van Christus op aarde als Koning het”Koninkrijk der hemelen” andermaal “nabijgekomen” zal zijn. Vandaar de boodschap “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen”. Deze prediking zal, evenals tijdens Jezus’ omwandeling op aarde bij Zijn eerste komst, gepaard gaan met grote krachten, wonderen en tekenen!

5. De Gemeente is een nieuwe schepping

In de Gemeente van Jezus Christus, die Zijn lichaam is, “de volheid Desgenen die alles in allen vervult”, heeft Israël geen voorrangspositie. De Gemeente is een hemels lichaam en haar leden zijn “met Christus gezet in hemelse gewesten” (Ef. 2: 6). Zij is een nieuwe schepping, waarin is noch Jood, noch Griek; maar allen zijn één in Christus (Gal. 3 : 28). Maar in de volgende bedeling, die met de “opname” of “wegrukking” van de Gemeente begint, krijgt Israël zijn centrale positie, die het nu verloren heeft, weer terug. In deze eeuw is Israël als natie ter zijde gezet en door hun “val” is de heidenen een rijk heil ten deel gevallen (Rom 11 :12).
In de “toekomende eeuw”, als het lichaam van Christus voltooid is, worden de Oud-Testamentische beloften vervuld. Paulus, de drager van de speciaal aan hem geopenbaarde verborgenheid der Gemeente, behoort niet tot “de twaalve”. Hij heeft niet de plaats van Judas ingenomen, alsof de verkiezing van Matthias een vergissing geweest zou zijn. Hoewel de Gemeente reeds op de Pinksterdag begon en het fundament gelegd werd door de apostelen, zijn toch de specifieke  gemeentelijke waarheden voor deze bedeling door God Zelf rechtstreeks aan Paulus geopenbaard (Gal. 2 : 1-10; Ef. 3 : 1-8). En op het apostel-concilie te Jeruzalem hebben de apostelen der besnijdenis zijn Evangelie uitdrukkelijk erkend (Hand. 15). Zij erkenden in Paulus degene, die door de Here Zelf uit de hemel geroepen was, en die zij niet gezonden en onderwezen hadden. Paulus ging met zijn Evangelie er niet op uit om gehele volken tot discipelen van de Here Jezus te maken. Hij wist, dat hij uitverkoren en afgezonderd was om nu het Evangelie der genade Gods onder de volken te verkondigen tot uitroeping van de Gemeente, die het lichaam van Christus is. Als wij lezen, dat hij geheel lllyrikum met het Evangelie vervuld heeft (Rom. 15: 9), dan wil dat niet zeggen, dat in deze streek alle mensen bekeerd waren, maar alleen, dat in Illyrikum het Evangelie aan allen verkondigd was. Men kan niet beide tegelijk doen, de Gemeente van Jezus Christus uitroepen en gehele volken tot discipelen maken. Dat laatste is trouwens tot op de huidige dag in deze eeuw aan nog geen enkel volk geschied. Een werkelijk Christelijke natie bestaat er in onze tijd niet. Ongetwijfeld is het heilsplan van God met de mensheid gericht op de redding van volkeren; maar niet langs de weg van ontwikkeling door beschaving en cultuur, maar langs de heilige weg van de uitroeping en voltooiing der Gemeente en van de uitvoering van Gods genadige raadsbesluiten en ten aanzien van Israël en de volkeren.
Door alle menselijke beschavingen heen zien wij de doorwerking van het kwaad en het bederf, eindigend in een catastrophe. Dat geldt ook voor de huidige beschaving. De wereld gaat voorbij, en “alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan”! De leden van het lichaam van Christus zijn pelgrims en vreemdelingen op aarde. “Christus in ons, de Hoop der heerlijkheid” is het heerlijke geheimenis, dat wij aan allen mogen verkondigen, die daarnaar verlangen (Col. 1 : 26, 27). De Gemeente van Jezus Christus staat weliswaar op de bodem der volkerenwereld, maar haar burgerrecht is in de hemel, “waaruit zij de Zaligmaker verwacht, namelijk de Here Jezus Christus” (Fil. 3 : 20). In de Nieuw-Testamentische Brieven, gericht aan de Gemeente, vinden wij generlei voorschriften betreffende het maatschappelijk leven (regeringsvorm, wetgeving, enz.). De Gemeente ontwikkelt zich onder de druk der volken gezonder dan onder haar gunst, en haar onveranderlijk doel is de voleinding en voltooiing van een bovennatuurlijk organisme, een supernationaal volk, dat wacht op de wederkomst des Heren. Haar taak in deze eeuw is wereidevangelisatie, maar niet wereldbekering. De wereldbekering, door de prediking van het “Evangelie des Koninkrijks”, zal komen; dat is geen inbeelding van de apostelen, De verwachting van het Messiaanse Rijk is geen Joodse dweperij, maar gegrond op de onfeilbare uitspraken van Gods Woord. En de komst van dat rijk komt na de voleinding van de Gemeente door de terugkeer van de Messias. Wij verwachten dan in deze eeuw ook niet de geleidelijke doordringing van de Christelijke beginselen onder de volken, maar de verbrijzeling van
de koninkrijken der wereld door de “steen zonder handen afgehouwen” 
(Dan. 2), d.w.z. door Christus, als Hij komt met Zijn Gemeente, die Hem tevoren tegemoet gevoerd zal worden in de lucht. De Gemeente van Jezus Christus in de tegenwoordige eeuw draagt geen zwaard. Haar enig doel is de opbouw van het lichaam van Christus, en haar weg voert door de dood tot het leven. Zij bevindt zich op vijandelijk terrein en zij voert de strijd des geloofs tegen geestelijke boosheden en machten der duisternis. Zij draagt knechtsgestalte, ootmoed, nederigheid, vervolging en de kenmerken des doods, maar in de toekomende eeuw is de Gemeente met Christus verheerlijkt en zal zij met Hem heersen over hemel en aarde.

Maranatha … !

In deze eeuw gaat de Gemeente de weg van het tarwegraan, d.w.z. door sterven tot leven. Zij kan de doorwerking van het kwaad en van het bederf in deze wereld niet verhinderen, hoogstens afremmen. Maar als de Here komt worden de verhoudingen totaal anders. Zolang Hij echter vertoeft te komen, hebben wij Christus te prediken, opdat mensen getrokken worden uit deze tegenwoordige boze wereld. Als leden van het lichaam van Christus zijn wij lichten, die schijnen in een duistere plaats. Maar als de Here komt, dan zullen wij Zijn troon zien. Dan schept Christus onder vreselijke gerichten, waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken, koninkrijk-toestanden op aarde. En op grond van de nieuwe schepping zal ook het schepsel zelf vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis tot de vrijheid der heerlijkheid der zonen Gods. Daarom richt de gelovige het hoofd omhoog en het hart naar boven. De Here komt, Maranatha! Zalig zijn de dienst-
knechten, die de Here, wanneer Hij komt, wakende vindt. Ja, kom Here Jezus, Amen.

Het moet voor iedere dienstknecht van God of getuige van Christus innerlijk een enorme bevrijding zijn, wanneer hij inziet, dat het niet zijn taak is om de wereld te verbeteren, of de maatschappij te vernieuwen, of het Koninkrijk Gods op aarde te brengen; maar om de onnaspeurlijke rijkdom van de liefde van Christus te openbaren en te verkondigen. Wel is het een onomstotelijk feit, dat daar, waar een levende Gemeente van Christus de kenmerken van het nieuwe leven openbaart, ook werkingen te zien zijn, die op politiek, sociaal of religieus gebied liggen. Maar deze werkingen zijn nevenverschijnselen, die aan het wezen van deze verderfelijke wereld niets veranderen, en die de uiteindelijke ineenstorting van deze bedeling door de openbaring van de mens der zonde, niet kunnen voorkomen. Een blik op de toenemende ontaarding in deze eeuw is voldoende om dit feit te bewijzen, voor ieder, die zien kan. Des te groter zal het verlangen zijn van hen, die met Christus gezet zijn in hemelse gewesten, om de Zoon van God uit de hemel te verwachten, totdat Hij komt (1 Kor. 11 : 26).

II. De Gemeentelijke Brieven van Paulus

Een merkwaardig woord heeft de Here Jezus in de nacht, waarin Hij verraden werd, gesproken tot Zijn discipelen, toen Hij met hen vergaderd was in de opperzaal. Wij vinden dat woord in het Evangelie van Johannes, hoofdstuk 16 : 12-14.

“Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen. Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in alle waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.”

“De toekomende dingen”

Hier verklaart de Here, dat er nog dingen geopenbaard moesten worden, die de discipelen vóór Pinksteren nog niet konden verstaan en verwerken, maar die hun na Pinksteren, door de Heilige Geest, duidelijk gemaakt zouden worden. De “Geest der Waarheid” zou hen nog dieper inleiden in de waarheid betreffende de Persoon en het Werk van Christus; en verder zou Hij hun “de toekomende dingen” verkondigen. Daarom zijn de geschriften van de apostelen voor ons van het grootste belang; want zij moeten ons de “toekomende dingen” tonen, waarover de Here Jezus toen nog niet spreken kon. De grootste schrijver onder de apostelen is Paulus. Hij spreekt zelfs over zijn Evangelie en over geheimenissen, die speciaal aan hem geopenbaard zijn.

“Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, maar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest; maar nu geopenbaard is en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt” (Rom. 16 : 25, 26).

Paulus verklaart heel positief, dat hem “de bedeling der genade Gods” is gegeven en zegt:“Hij heeft mij door openbaring bekend gemaakt deze verborgenheid” (Ef. 3 : 2, 3). Hieruit blijkt zonder meer, dat wij in de Evangeliën niet de gehele openbaring van het werk van Christus hebben, maar dat de Brieven een voortzetting of een vervolg daarop zijn.

De apostel Paulus

De apostel Paulus is een speciaal door de Here geroepen apostel onder de heidenen. Hij zegt, dat het God behaagd heeft, Zijn Zoon in hem te openbaren “opdat ik Hem door het Evangelie zou verkondigen onder de heidenen” (Gal. 1 : 16). Paulus beriep zich er op, dat de leidende broeders te Jeruzalem (“die geacht werden“), ingezien hadden, “dat aan mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis” (Gal. 2 : 7).

Toen zij tot dat inzicht gekomen waren, hadden Jakobus, Petrus en Johannes, “die geacht waren pilaren te zijn”, Paulus “de rechterhand der gemeenschap” gegeven, opdat hij onder de heidenen en zij onder de besnijdenis werken zouden. Paulus evangeliseerde dan ook op indrukwekkende wijze, en hij “vervulde” het hele gebied van Jeruzalem af tot lllyrikum toe (Rom. 15 : 19) met het Evangelie van Jezus Christus, “opdat allen, die in Azië woonden, het woord van de Here Jezus Christus hoorden, beiden Joden en Grieken” (Hand. 19 : 10). In heel bijzondere zin is hij de apostel van de Gemeente van Jezus Christus. Als wij onderwezen willen worden omtrent het wezen, de dienst en de bestemming van de Gemeente, dan moeten wij vooral de Paulinische gemeentelijke Brieven bestuderen, want die handelen daarover.

Aan het einde van zijn aardse loopbaan schrijft de apostel echter aan zijn geestelijke zoon Timothes het diep-treurige woord:“Gij weet dit, dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben” (2 Tim. 1 : 15). Dit “afwenden” was ongetwijfeld niet alleen van persoonlijke aard, maar ook een afwenden van de bijzondere waarheden, die Paulus waren toevertrouwd. Wat betreft de kerkgeschiedenis is het interessant, dat de afdwaling in drie trappen plaatsvond. Eerst ging de waarheid van “De eenheid van het Lichaam van Christus” verloren. Er ontstonden “scheuringen” en verdeeldheden, zoals in de gemeente van Korinthe reeds te zien was (1 Kor. 3 : 1-8), en vervolgens in de geschiedenis steeds duidelijker werd. In de tweede plaats ging de waarheid omtrent “De wederkomst van Christus” en de daarmee verbonden heerlijke hoop van de Gemeente verloren. Dood en oordeel en de vergeestelijking van deze reële waarheden kwamen ervoor in de plaats. In de derde plaats verloor men ook de belangrijke waarheid van “De rechtvaardigmaking uit het geloof”. De genade gaf men prijs voor “werkgerechtigheid”, die langzamerhand uitgroeide tot een caricatuur. Nu is het echter een geestelijke natuurwet, dat men dezelfde weg van afdwaling weer terug moet gaan, wil men weer op de rechte weg komen. Zo moest ook de waarheid, die het laatst verloren was gegaan, het eerst weer veroverd worden. Dat geschiedde in de tijd van de Reformatie. In die dagen werd de waarheid omtrent de rechtvaardiging door geloof alleen, als het ware “herontdekt”. In de 19e eeuw werd de waarheid omtrent de wederkomst van Christus algemeen weer erkend en geleerd in de gemeente van Christus als haar gezegende hoop. Omdat men in de reformatie-kerk niet direct verder ging op de weg van de herontdekte waarheid naar deze leer van Jezus’ wederkomst, die zo’n grote invloed op het geestelijk leven heeft, ontstond de algemene tegenstelling tussen de zuivere leer en onreine levenswandel. Maar het is kennelijk onze dagen voorbehouden om de waarheid, die het eerst verloren ging, namelijk die van de eenheid der Gemeente van Jezus Christus, als de “Verborgenheid Gods”, weer opnieuw op de kandelaar te plaatsen.

Veel verwarring

Er heerst in de Gemeente des Heren ook vandaag nog veel verwarring over deze wonderbare waarheden, en vooral over de laatste betreffende haar eenheid. Men kan zich nog steeds niet losmaken van de oude begrippen van staats- en volkskerken. Men treft zelfs in “evangelische kringen” en “geloofsgemeenschappen” een hopeloze verdeeldheid aan, terwijl de enige Bijbelse scheidingslijn luidt: Wereld of Gemeente des Heren. De oorzaak van deze verscheurdheid en verdeeldheid ligt ongetwijfeld in het feit, dat men niet thuis is en geen inzicht heeft in de paulinische Gemeentebrieven. Men meent dikwijls, dat het voor een Christen voldoende is, als hij de “Geloofsbelijdenis”, “de Tien Geboden” en het “Onze Vader” kent. De Evangeliën en in het bijzonder de Bergrede, worden dan als de wezenlijke leer van het Christendom beschouwd, in plaats van de Gemeentebrieven, hoewel die toch speciaal aan de Gemeente geadresseerd zijn. In theologische kringen wordt gewoonlijk de leer van Jezus veel hoger en belangrijker geacht dan de leer der apostelen. Speciaal beschouwt men de geschriften van Paulus als een theologische neerslag van de Christelijke leer. Dat zou echter een aantasting van de inspiratie van de Heilige Schrift zijn. Het is dezelfde Geest, Die uit de woorden van de Heiland en van de apostel spreekt: “Hij zal uit het Mijne nemen en zal het u verkondigen” (Joh. 16: 14), zei de Here Jezus. En in overeenstemming daarmee verklaart Paulus:

“Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn; dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende” (1 Kor. 2 : 12, 13).

Zeven gemeentelijke brieven

Nu hebben wij zeven van zulke Gemeentebrieven, waarvan twee dubbel-brieven zijn, aan de Korinthiërs, en aan de Thessalonicenzen. Behalve deze Brieven hebben wij nog andere Brieven in het Nieuwe Testament, die echter een algemeen of persoonlijk karakter dragen. De paulinische Gemeentebrieven bevatten in het bijzonder de leer van de Heilige Geest over de Gemeente van Jezus Christus. Ze bevatten de volle waarheid, waarin de Heilige Geest ons leiden wil. Nu hebben wij als Christenen vanzelfsprekend de gehele Bijbel om te lezen en te bestuderen. Paulus schrijft immers duidelijk aan Timothes:

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot  onderwijzing,die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust” (2 Tim. 3 : 16, 17).

Hoe meer wij onze gehele Bijbel bestuderen, des te geschikter worden wij in de dienst des Heren en van Zijn Gemeente. Maar niet de gehele Bijbel handelt over de Gemeente. Wanneer ik over de totstandkoming, de positie en de toekomst van de Gemeente informatie wil hebben, dan vind ik die niet in het Oude Testament, ook niet in de Evangeliën, maar in de Gemeente-brieven. Daarnaast zijn ook de Brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië, die wij in Openbaring 2 en 3 vinden, van de grootste betekenis; maar zij zijn slechts kort en dragen een ander karakter dan de Gemeente-brieven van de apostel Paulus, Dat wij in beide gevallen zeven gemeenten hebben, waaraan de Brieven van Paulus en die van de verheerlijkte Heer gericht zijn, is zeker niet toevallig, maar heeft ongetwijfeld een betekenis. Zeven is immers het getal van geestelijke volkomenheid, terwijl zeven de verbinding tussen het goddelijk getal 3 en het menselijk getal 4 is. Hier moeten dus de goddelijke en menselijke betrekkingen tot openbaring komen. Dat Paulus juist negen Brieven aan zeven gemeenten geschreven heeft, is ook leerrijk. Negen is het kwadraat van drie, namelijk drie maal drie, wat de Goddelijke volmaaktheid uitdrukt. Als wij de zeven zendbrieven in Openbaring 2 en 3 lezen, dan zien wij, hoe snel de gemeenten reeds afgeweken
waren van de waarheden Gods, zoals de Heilige Geest die door de apostel Paulus had laten neerschrijven.

De volgorde van de brieven

Nu is het een opvallend feit, dat niet alleen het aantal van deze Brieven van Paulus, maar ook hun volgorde volmaakt is. In alle oude handschriften is de volgorde precies dezelfde, zoals wij die in onze Bijbel hebben. Chronologisch is deze volgorde niet, want de Thessalonicenzen-brieven, die het laatst staan, werden het eerst geschreven. Daarom moet er bij de vaststelling van de volgorde met een andere belangrijke factor rekening zijn gehouden.
Mogen wij hier ook niet de hand van de Heilige Geest zien? Wij kunnen in deze tijd van ondermijnende Bijbelkritiek niet hoog genoeg over onze Bijbel denken; het is de Heilige Schrift, het Woord van God! Wij hebben hier de onderwijscursus van de Heilige Geest, Die altijd eerst met het a, b, c begint en vervolgens tot aan de voleinding voortgaat. Wie niet bereid is deze cursus van de Heilige Geest over de Gemeente van Christus te bestuderen, die zal niet tot innerlijke vastheid komen, maar door allerlei wind van leer telkens weer heen en weer bewogen worden.

Het getal zeven tekent zich ook hier duidelijk af in het Goddelijk getal drie en het menselijk getal vier. In drie Brieven hebben wij de Goddelijke leer, in vier de ontwikkeling daarvan in het praktisch Christenleven met alle gevaren van afdwalingen in wandel en kennis.
De drie bijzondere leerbrieven zijn de Brief aan de Romeinen, die aan de Efeziërs, en de dubbel-Brief aan de Thessalonicenzen. Deze Brieven gaan immers ver boven het gewone brief-karakter uit; het zijn eigenlijk grote verhandelingen over belangrijke onderwerpen.

Op de eerste plaats staat de Romeinen-brief. Het is de eerste les, die wij moeten leren; maar d.w.z. niet leren alleen met het hoofd, maar ook voor ons praktisch leven, wat wij ook ervaring kunnen noemen. In de school van de Heilige Geest worden geestelijke waarheden tot geestelijke ervaringen omgezet; dat is Zijn Goddelijke methode. De Romeinen-brief toont ons de mens in zijn diepgevallen toestand, zoals hij hulpeloos en verlaten in de modder der zonde is weggezonken (Hfdst. 1 -3: 20). Daarna wordt ons getoond, hoe de mens gerechtvaardigd wordt in Christus Jezus en daardoor uit de modder der zonden wordt opgetrokken.

“Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods; en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die tevoren geschied zijn onder de  verdraagzaamheid Gods” (Rom. 3 : 23-25).

Verder heeft de Romeinen-brief nog een leerstellig gedeelte over de verhouding van Israël tot de heidenen (Hfdst. 9, 10, 11), en nog een praktisch slot (Hfdst. 12 t/m 16). Maar de eerste acht hoofdstukken leggen het fundament. Het hoogtepunt is hoofdstuk 8:

“Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods” (Rom. 8 : 1, 2).

De Efeze-brief toont ons de gelovige alslid van het lichaam van Christus. Daar gaat het niet meer zozeer om de kennis van onszelf, maar om de kennis van Christus, Die het Hoofd is van Zijn lichaam. Onze heerlijke positie in Christus is het, die ons getoond moet worden-…”..En heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in hemelse gewesten in Christus Jezus” (Ef. 2 : 6). Zo sluit de Romeinen-brief met de heenwijzing naar het “geheimenis, dat van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest, maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid de geloofs onder al de heidenen is bekend gemaakt” (Rom. 16 :25-26). De Efeze-brief spreekt in aansluiting daarop uitvoerig over dit geheimenis van het lichaam van Christus, de Gemeente. De Thessalonicenzen-brieven tonen ons vervolgens de Christen in zijn verheerlijking met de Heer. Hij is niet alleen dood geweest in de zonden en opgestaan met Christus in een nieuw leven, zoals in de Romeinen-brief getoond werd; hij is niet alleen met Christus gezet in hemelse gewesten, zoals de
Efeze-brief openbaart; maar de gelovigen zullen volgens de Thessalonicenzen-brieven, als zij tevoren sterven, opgewekt, en de levenden veranderd worden en “opgenomen worden in de wolken, de Here tegemoet in de lucht; en alzo zullen wij altijd met de Heer wezen” (1 Thess. 4 : 17).

Een volledige cursus

Wij zien hier de volledige cursus in de Christelijke leer. In de Romelnen-brief wordt de mens gerechtvaardigd in Christus, in de Efeze-brief wordt ons een heilige levenswandel getoond en in de Thessalonicenzen-brieven onze verheerlijking met Christus onthuld.

De Romeinen-brief trekt een eenzame op uit het modderig slijk der zonde; de Efeze-brief zet hem op de rotsbodem en verplaatst hem op de troon der heerlijkheid.
Daarom vinden wij de Romeinen-brief aan het begin en de Thessalonicenzen-brieven aan het einde. Dit is de Goddelijk volgorde in ons praktisch leven; de onderwijscursus van de Heilige Geest.

De overige brieven zijn aan vier andere gemeenten gericht: aan de Korinthiërs en de Galaten, die tussen de Romeinen-brief en de Efeze-brief staan; en aan de Filippenzen en de Kolossenzen, die tussen de Efeze-brief en de Thessalonicenzen staan. Deze Brieven dragen een beslist practisch karakter en geven praktische onderwijzing.

De dubbelbrief aan de Korinthiërs handelt in de eerste plaats over het praktische Christenleven en toont het gevaar voor afdwaling van de waarheden van de Romeinen-brief. De Galaten-brief waarschuwt eveneens voor het gevaar van afdwaling van de leer van de Romeinen-brief. Men wilde daar de wet weer oprichten, die volgens de Romeinen-brief niet redden kan. In de Korinthe-brieven hebben we de berisping over de afdwalingen in het praktische leven. Het zuurdesem doet hier een verderfelijk werk in de praktische wandel (1Kor.5 : 6). In de Galaten-brief hebben we de terechtwijzing omtrent de afdwalingen in de leer. Zij waren in de Geest begonne, maar laten zich spoedig op een dwaalspoor brengen, dat zij in het vlees wilden voleinden; d.w.z. de verbetering van de oude natuur door de werken der wet (Gal. 3 : 3). Het zuurdesem doet hier zijn verderfelijk werk in de leer (Gal. 5: 9).

Zo is het ook met de beide Brieven, die op de Efeze-brief volgen. De Filippenzen-brief is weer, evenals de Korinthe-brieven, van praktische aard. Het zijn vermaningen voor het praktisch leven, om vast te houden aan de waarheid van de Efeze-brief omtrent de eenheid van het lichaam van Christus. De Filippenzen worden vermaand vast te staan “in één gemoed gezamelijk strijdende voor het geloof des Evangelies” (Fil. 1 :27) en “eensgezind te zijn in de Here” (Fil. 4 : 2) En vervolgens heeft ook de Kolossenzen-brief, evenals de Galaten-brief, een meer praktisch-leerstellig karakter en is een waarschuwing, dat men niet de eenheid van het lichaam van Christus in gevaar mag brengen door elkaar met inzettingen te belasten en elkaar lastig te vallen over vragen omtrent spijs en drank, feesten of nieuwe maan of sabbatten. De Kolossenzen moeten “het Hoofd vasthouden, waaruit het hele lichaam door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met Goddelijke wasdom” (Kol. 2 :16-19).

Het gevaar bestond, dat zij hun volmaaktheid in Christus, zoals die in de Efeze-brief geleerd werd, niet erkennen zouden (Kol. 2:8-10).

“Terug tot Christus”

Uit deze korte uiteenzetting blijkt, hoe noodzakelijk het voor de leden van het lichaam van Christus is om aan deze Gemeentebrieven hun bijzondere aandacht te schenken. Het is niet voldoende om alleen maar de Evangeliën te bestuderen, hoe belangrijk en hoe heerlijk die overigens ook zijn. Wij moeten “nalatende het begin van de leer van Christus, tot de volmaaktheid voortvaren”(Hebr. 6 : 1), en ons de diepere waarheden van de paulinische Gemeentebrieven eigen maken. Vandaag weerklinkt diswijls deze roep: “Terug tot Christus”. Ook wij stemmen in met deze roep, maar met de toevoeging: niet zonder Paulus, maar door Paulus; want door Paulus toont de Heilige Schrift ons de heerlijkheid van de Christus Gods, Die aan de Gemeente “tot een Hoofd boven alle dingen gegeven is”. De Gemeente echter is Zijn lichaam, “de volheid desdgenen, Die alles in allen vervult” (Ef. 1 : 22, 23).

III. De Taak van de Gemeente

Men zou de taak van de Gemeente in één woord kunnen samenvatten, namelijk in het woord “dienst”. De apostel Paulus verklaart van de gelovigen in Thessalonica, dat zij bekeerd waren van de afgoden, om de levende God te dienen (1 Thess. 1 : 10). Let wel, het gaat hier om het dienen van God door de Gemeente.

Het dienen van God

De natuurlijke mens heeft niet de taak om God te dienen. Hij kan God trouwens ook niet dienen. Alle vormen van godsdienst, bedreven door onwedergeboren mensen, zijn dwaas en ijdel. Als de natuurlijke mens God wil dienen, voordat hij zich tot God bekeerd heeft, dan probeert hij de tweede stap voor de eerste te doen.
Frederik de Grote heeft eens van Keizer Josef 11 gezegd: “Hij doet altijd de tweede stap voor de eerste, en daarom komt er van zijn plannen niets terecht”. Er is in het Evangelie een Goddelijke volgorde, die men terdege in acht moet nemen, en die luidt: Eerst bekering en dan dienst (1 Thess. 1 : 10). Er zijn in ons land helaas duizenden mensen, die menen God te dienen, hoewel zij zich nooit tot God bekeerd hebben!
Het is een armzalige opvatting van het wezen van het Christendom, wanneer werkelijk gelovige wedergeboren mensen zich alleen maar met hun eigen heil bezig houden, zonder zich te bekommeren om het heil van hun medemensen. Wel geldt voor de gelovige het woord: “Werkt uwszelfs zaligheid met vreze en beven” (Ef. 2 : 12); maar dat uitwerken van eigen zaligheid sluit juist de plicht tot dienen in.

Wat is dienst?

Wat betekent “dienst”? In het gewone mensenleven verstaan we onder dienst, dat men zich inzet voor de belangen van andere mensen. De dienstknecht zet zich in voor de belangen van zijn heer. Zo zal ook de dienst, die wij aan God verschuldigd zijn, daarin bestaan, dat we Gods belangen tot de onze maken.

Hoe dichter wij tot God staan, hoe meer wij gegrepen worden door de gedachte, dat wij . ons geheel moeten wijden aan de belangen van God en onze Heiland. Maar hoe doen wij dat? Petrus zegt, dat het onze taak is om te “verkondigen de deugden van Hem, Die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht” (1 Petr. 2 : 9). Als wij dit doen, dan dienen wij daarmee onze Heer.
Deze “verkondiging” van de “deugden van Christus” mag echter niet beperkt blijven tot ons mondelinge getuigenis, maar moet bevestigd worden door het getuigenis van onze levenswandel.

In de afgelopen zomer heb ik iets prachtigs gezien. Ik zag, hoe in het westen de zon als een vurige bol onderging, terwijl tegelijkertijd in het oosten de zilveren schijf van de volle maan opkwam, Ik moest toen ineens denken aan onze Here Jezus Christus, hoe Hij bij Zijn hemelvaart voor het oog der mensen als de Zon der gerechtigheid verdween, terwijl tegelijkertijd de zilveren maanschijf van de Gemeente opkwam.

Wij kennen de dwaasheid van heidenen, Joden en naamchristenen, die de ondeugden, de fouten, de gebreken en de zonden van de Christenen toerekenen aan de Here Jezus. Zij menen het recht te hebben Christus te mogen verwerpen terwille van Christenen, die in hun leven Zijn Naam oneer aandoen. Wanneer echter de zonden van de Christenheid tot gevolg kunnen hebben, dat de Naam van Christus in de wereld gelasterd wordt, dan kunnen ook de deugden van Christus in de Gemeente ertoe meewerken, dat Zijn Naam wordt verheerlijkt. De Gemeente heeft tot opdracht om de wereld aanschouwelijk onderwijs te geven in de “deugden van Christus”. Paulus beijverde zich ervoor, dat Christus gestalte zou krijgen in de Galaten; dat de heerlijkheid van de Here Jezus Christus zich zou weerspiegelen in de Gemeente. Als de Gemeente een vergadering van kinderen van God is, dan moet aan die kinderen iets te zien zijn van hun Goddelijke afstamming; dan moet het beeld van Jezus Christus in hen zichtbaar worden en van hen uitstralen. Koningen willen op waardige wijze door hun gezanten vertegenwoordigd worden. Als “kinderen des Konings”, als “gezanten van Christus” moeten wij het Evangelie waardig wandelen tot eer van onze God en Heiland.

Het Licht der Wereld

De Here Jezus heeft Zich het Licht der wereld genoemd. Wat betekent dat? Dat ons iets door Zijn Persoon duidelijk moet worden, dat ons anders nooit duidelijk zou zijn geworden, als wij Hem niet hadden. In Jezus is ons getoond, wat de echte, de ware mensennatuur is. Kortzichtige mensen verbeelden zich, dat wij dat van onszelf kunnen weten, maar dat is uitgesloten!
Alleen, als wij onze blik op de Here Jezus werpen, zien wij, hoe de mens zijn moet. Hij is de volmaakte Mens, zoals God die Zich oorspronkelijk gedacht had. Hij beantwoordt aan de hoogste eis van God. Op gelijke wijze moeten wij, de Gemeente, het ware mensdom naar de gedachte Gods vertegenwoordigen.

De Here Jezus is het Licht der wereld, want in Hem wordt de verborgenheid Gods openbaar. De Oud-Testamentische profeten hebben Hem bij wijze van spreken “bij stukjes en beetjes” geopenbaard, maar het volmaakte beeld van God aanschouwen wij in de Persoon van de Here Jezus. Hij is het “Afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn wezen” (Hebr. 1 : 3).

Op gelijke wijze dienen wij in deze wereld iets van het wezen van Christus uit te stralen. Zijn deugden moeten zich weerspiegelen in de Gemeente. De Here Jezus heeft ons getoond, dat reeds dit aardse leven, ondanks alle moeilijkheden en zorgen, de moeite waard is om geleefd te worden. Er was geen grotere martelaar dan Hij, maar ook geen gelukkiger mens dan Hij, omdat Hij zeggen kon: “De Vader is bij Mij, met Mij, in Mij”.
Zo moet ook de vreugde en het geluk van ons Christen-zijn van ons uitstralen tot een getuigenis in de wereld.

Nietsche heeft gezegd, dat de Christenen er hem te onverlost uitzagen. Er zijn inderdaad een groot aantal gelovigen, die er weinig verlost uitzien; zij klagen, meer, dan dat zij roemen.
De Gemeente moet laten zien, dat de Christen nu reeds een blij, gelukkig en benijdenswaardig mens is.

Aanschouwelijk onderwijs aan bovenaardse machten

Niet alleen aan de wereld heeft de Gemeente aanschouwelijk onderwijs te geven, maar ook aan de overheden en machten in de hemel. De apostel Paulus verklaart in Efeze 3: “Opdat nu door de Gemeente bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid Gods”. Toen Adam en Eva gevallen waren, dacht Satan, dat hij nu voor altijd het mensen-geslacht in zijn macht had. De gerechtigheid Gods is tegen hen, en zelf zijn zij niet in staat zich uit hun diepe val op te heffen.
Maar God loste dit onoplosbare probleem op, doordat Hij in gelijke mate zowel aan Zijn gerechtigheid als aan Zijn barmhartigheid voldeed. Het is precies, zoals het lied zegt:

Rechtvaardigheid hield aan om straf,
Genade drong om vrijgeleide,
Hier trad Gods wijsheid tussenbeide,
Die ze allebei voldoening gaf.

God verzoende in Christus de wereld met Zichzelf, zodat Hij de mens zijn zonden niet behoefde toe te rekenen (2 Kor. 5 : 19). En Hij schenkt in de Heilige Geest de kracht uit de hoogte, waardoor de gevallen mens zich door het geloof kan oprichten tot een nieuw en Gode welgevallig leven. Satan aanschouwt in de Gemeente de veelvuldige wijsheid Gods; hij ziet, hoe God uit grauwe koolstof schitterende diamanten maakt, uit grove zondaars blinkende heiligen!
Omdat in de Gemeente het schouwspel van de verlossing, de bevrijding en het heil te zien is, geeft zij de onzichtbare machten der duisternis aanschouwelijk onderwijs omtrent de veelvuldige wijsheid Gods.

Praktische heiligmaking

Als wij nu dit aanschouwelijk onderwijs willen geven, dan is dat natuurlijk onlosmakelijk verbonden met de noodzakelijkheid en de plicht om te jagen naar praktische heiligmaking. Is het ons niet opgevallen, dat Paulus in zijn brieven, die over het wezen der Gemeente handelen, het noodzakelijk vindt, om vermaningen uit te spreken, waarover wij verwonderd onze hoofden schudden.
“Legt af de leugen, en spreekt de waarheid… Die gestolen heeft, die stele niet meer. .. Geen vuile rede ga uit uw mond… “ (Ef. 4 en 5). Hebben leden van de Gemeente zulke vermaningen nodig, kunnen gelovigen nog liegen? Ja. Zijn er gelovigen, die stelen?
Ja. Zijn er gelovigen, die nog in onreinheid vallen? Ja. Zijn er gelovigen, die niet genoeg onderscheidingsvermogen hebben, zodat zij zich nog laten verleiden tot de onvruchtbare werken der duisternis? Ja. Er zijn kinderen Gods, die niet in staat zijn het gevaar te onderkennen van de occulte bewegingen in onze dagen, waardoor brede kringen worden beheerst. De vermaning om de oude mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen, is nog steeds van kracht voor iedere gelovige. Dat betekent, dat wij de deugden van Christus tot een werkelijk bestanddeel van ons wezen maken. Onze genegenheden moeten geheiligd worden.
“Wordt toornig en zondigt niet” (Ef. 5 : 26). Er is een toorn, die geoorloofd is, maar als de toorn zich met het vlees verbindt, dan houdt hij op van Goddelijke oorsprong te zijn. Wij moeten streven naar ootmoedigheid, ja, wij kunnen niet ootmoedig genoeg zijn.
Ootmoed is een van de deugden van Hem, Die zei:“Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart”. God beware ons ervoor hoogmoedig te worden. Laten wij voor alles jagen naar de liefde. Is het altijd zo gemakkelijk om onze naaste lief te hebben als onszelf? En niet alleen als onszelf, maar lief te hebben, zoals Christus ons liefgehad heeft. Als wij onszelf tot in ons diepste wezen onderzoeken, voelen wij ons getroffen door het woord:

“Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben”.

De kinderen der wereld kunnen soms de kinderen Gods beschamen. Het is een wondervolle waarheid, dat er een toegerekende gerechtigheid is, die wij om niet ontvangen hebben uit genade en door geloof. Maar hoe heerlijk het ook is, dat wij die gerechtigheid bezitten, moeten wij toch niet vergeten, dat die toegerekende gerechtigheid tot levensgerechtigheid moet worden. Hoe meer dit het geval is, des te meer zat ons leven een aanschouwelijke les zijn over het wezen van God. Wij dienen de Here, als de wereld iets waarneemt van Zijn deugden in ons, zodat wij voor de wereld levende aanbevelingsbrieven zijn van Christus.

Medewerkers van Christus

Onze dienst moet verder daarin bestaan, dat wij leven voor hetzelfde doel, als waarvoor de Here Jezus leefde en stierf — Hij, de grote Redder der wereld —, en als wij Hem willen dienen, moeten wij meehelpen in het werk, waarmee Hij thans bezig is. Wij moeten vissers van mensen zijn, zowel in persoonlijke zielszorg als in de openbare verkondiging, dus vissen zowel met de hengel als met het net. Wij zijn als arbeiders van God en mede-arbeiders van Christus geroepen om het Evangelie van Gods liefde en genade in deze wereld uit te dragen, opdat verloren zielen gered worden voor de eeuwigheid.

De Gemeente heeft niet in de eerste plaats de opdracht om mensen te verbeteren. Zelfs al zou het ons gelukken om een dronkaard, een dief, een inbreker tot een beschaafd en net mens te maken, dan betekent dat niet zonder meer zijn redding. De taak van de Gemeente is, de zielen in verbinding te brengen met God door Christus; hen te bewegen de Here Jezus aan te nemen als hun Heiland, als hun Here, als hun Hoofd; dat zij ranken worden aan
de wijnstok, levende stenen in Zijn tempel, leden van Zijn lichaam.

Het is waar, als men zegt, dat ware Christelijke dienst ook sociale uitwerkingen heeft in betrekking tot het maatschappelijk welzijn van onze medemensen, maar dat alles zijn slechts _nevenverschijnselen”, slechts kruimels, die van de tafel des Heren vallen. Wij mogen het werkelijke doel nimmer uit het oog verliezen. Wanneer wij niet doelbewust werken, dan bouwen wij met“hout, hooi en stoppelen” en niet met “goud, zilver en kostelijke stenen” (1 Kor. 3); dan bouwen wij op zand en niet op rotsbodem. Wanneer wij nu deze dienst doen willen en begrepen hebben, dat de apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars in de Gemeente tot taak hebben de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, opdat daardoor het lichaam van Christus opgebouwd mag worden (zef. 4 : 12), dan komt het erop aan, deze dienst in ootmoed, in volkomen afhankelijkheid van God te doen.
Met welk een ootmoed en nederigheid heeft de Here Jezus Zijn werk gedaan. Hij zei: “de Zoon kan van Zichzelf niets doen, maar wat Hij de Vader ziet doen”. En de apostel Paulus verklaart:“Want ik zou niet durven iets te zeggen, wat Christus door mij niet gewrocht heeft” (Rom. 15 : 18).
Niet van ons uit moet de dienst geschieden, maar van Hem uit!

De zalving van de Heilige Geest nodig

Wij hebben voor deze taak volmacht nodig. De Here Jezus sprak als iemand, die volmacht van Boven had. Dat was Zijn zalving. Er is in de Christenheid veel valse zalving geweest; dat is iets, dat afstoot, en de zaak des heren schade doet. De ware zalving isd van de Heilige Geest. De Heilige Geest, Die in ons woont, wil ons gebruiken om Christus te verheerlijken, om Zijn Naam groot te maken, om Zijn deugden te verkondigen. In de kracht van de Heilige Geest mogen wij de gaven besteden, die de Here ons toevertrouwd heeft, als een goede rentmeester in Zijn dienst. Zijn opdracht is nog altijd van kracht:”Doet handeling totdat Ik kom”.

En Zijn komst is nabij, zeer dicht nabij.

Laten wij met het oog daarop

“de wereldse begeerlijkheden verzakende matig, rechtvaardig en godzalig leven in deze tegenwoordige wereld, verwachtende de zalige hoop en verschijning voor de grote God en Zaligmaker Jezus Christus, Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken”(Titus 2 : 12-15)

IV. De voltooiing en de verheerlijking van de Gemeente

De Gemeente van Jezus Christus is in deze bedeling de vertegenwoordigster van Jezus Christus op aarde. Als zodanig is ze de draagster van de heerlijkheid van Jezus Christus. Hoe groot ook “de rijkdom der heerlijkheid” is, die in de Gemeente van Jezus Christus geopenbaard wordt, toch heeft zij in deze bedeling op generlei wijze haar volle ontwikkeling bereikt.

De gemeente is nog niet voltooid

De Gemeente van Jezus Christus is nog niet voltooid.
Gedurende haar ontwikkelingsgang geldt voor haar jet woord: “Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is” (1 Joh. 3 : 2).
“Want wij zijn in hope zalig geworden; de hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop” (Rom. 8 : 24).
“Wij wandelen in geloof, en niet in aanschouwen” (2 Kor. 5 : 7).
“Wij zien nu door een spiegel, maar dan van aangezicht tot aangezicht” (1 Kor. 13 : 12).
“Maar ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten” (Fil. 3 : 20).

Wij zijn “verzegeld met de Heilige Geest der belofte, Die het onderpand is van onze erfenis tot de verkregen verlossing” (Ef. 1 : 14; 2Kor. 1 : 22), maar ons erfdeel heben wij nog niet ontvangen, het wordt voor ons “bewaard in de hemelen” (1Petr. 1 : 4).
Wij zijn van “tevoren verordineerd den beelde Gods gelijkvormig te worden” (Rom. 8 : 24), maar wij dragen zelfs als volwassenen in het geloof, in de liefde en in de hoop, nog altijd “het beeld der aardsen” (1 Kor. 15 : 49).
Wij weten, dat de Here Jezus Christus “ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam” (Fil. 3 : 21); maar wij zijn nog “in de tabernakel”, waarin wij zuchten, bezwaard zijnde” (2 Kor. 5 : 1-4); “maar wij hebben deze schat in aarden vaten” (2 Kor. 4 : 7), en hebben het heerlijkheidslichaam van de eniggeboren Zoon van God noch gezien, noch met Hem gedeeld.
“Wij zijn getrokken uit de macht der duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde” (Kol. 1 : 13), maar onze “tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende wie hij zal mogen verslinden” (1 Petr. 5 : 8). Ondanks onze verlossing uit de macht van Satan, blijft hij onze tegenstander, onze verzoeker tot het kwade, tegen wie wij ons te wapenen hebben met “de volle wapenrusting Gods” (Ef. 6). Wij moeten ons hoeden voor zijn “listige omleidingen”, want bij voorkeur “verandert hij zichzelf als een engel des lichts” (2 Kor. 11 : 14).
Wij hebben de “eerstelingen des Geestes” ontvangen, maar nochtans “zuchten wij in onszelf, verwachtende de aanneming tot zonen, namelijk de verlossing van ons lichaam” (Rom. 8 : 23).

Wanneer wordt de hoop der Gemeente vervuld?

De Gemeente van Jezus Christus is dus een op haar voltooiing wachtende gemeente. Dit stelt ons voor de vraag: Wanneer zal de Bijbels gefundeerde hoop en verwachting van de Gemeente in vervulling gaan? De Schrift antwoordt: “op de dag van Jezus Christus” (1 Kor. 1 : 8; Fil. 1 : 6). Die dag zal niet een dag van 24 uur zijn, maar een langere periode in de komende bedeling. Als de aanlichtende dag, waarvan de morgenster opgaat in onze harten (2 Petr. 1 : 14), betekent hij de komst van Christus voor de Zijnen en vervolgens de verheerlijking en openbaring der Gemeente van Jezus Christus (2 Thess. 1 : 7; Kol. 3 : 4). Wij onderscheiden met betrekking tot de wederkomst van Christus twee fasen, een komst voor de Zijnen en een komst met de Zijnen. Deze dag zal zijn “de dag der verlossing”, waarvoor wij verzegeld zijn met de Heilige Geest (Ef. 4 : 30); namelijk de dag, waarop de Zijnen van alle aardse belemmeringen van deze gevallen, bedorven wereld en daarmee van de aanvechtingen en beïnvloedingen van Satan verlost zullen worden. Het zal de dag zijn, waarin wij “de
roem”
 en “kroon” onzer leraars zullen zijn (2 Kor. 1 : 14; Fil. 2: 11), waarin wij “oprecht en zonder aanstoot” (Fil. 1 : 10), in en door Christus volmaakt en voleindigd (Kol. 2 : 10; Fil. 1 : 6) voor Hem zullen verschijnen.

Voor deze hemelse roeping moet de Gemeente toebereid worden en daarop moet de gehele dienst van een prediker, een evangelist, een voorganger gericht zijn.
De beantwoording van de vraag, wanneer de voltooiing en de verheerlijking van de Gemeente plaats heeft, stelt ons voor een andere vraag, namelijk

Hoe zal de verheerlijking plaats hebben?

Hoe zal de verheerlijking der Gemeente op de dag van Jezus Christus plaats hebben? Het Bijbels antwoord luidt: Door “opstanding”, door “verandering” en door “opname” (1 Thess. 4 : 13-18; 1 Kor. 15 : 51-58).
Toen de Here Jezus in Zijn lichaam de zonde liet oordelen (Rom. 8 : 3; 2 Kor. 5 21), werd de wet der zonde en des doods doorbroken (Rom. 8 2) en Zijn lichaam aan de belemmeringen van de gevallen wereld onttrokken, om verheerlijkt in de hemel opgenomen te worden. En omdat Zijn gerechtigheid en heiligheid in de Gemeente tot uitwerking komt, moet ook voor de gelovigen het uur aanbreken, dat hun lichamen aan de belemmeringen van de gevallen wereld onttrokken worden. “Indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, zo zal Hij ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont” (Rom. 8 : 1 l). De verlossing van ons lichaam houdt tevens de levendmaking van ons lichaam in door de inwonende Geest van Christus. Bovendien is deze verlossing niet een verlossing van het lichaam, maar ons lichaam zelf wordt verlost.
Deze verlossing zal plaats hebben bij de komst van Jezus Christus voor de Zijnen en wel door de volgende gebeurtenissen.

1. De Opstanding van de in-Christus-ontslapenen

“Want de Here Zelf zal met een geroep, met de stem van de aartsengel en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan” (1 Thess. 4 : 13-18).
Met Zijn scheppingskracht zal de Here dat, wat eenmaal in zwakheid is gezaaid, in kracht doen opstaan (1 Kor. 15 : 43). De doden in Christus zullen eerst opstaan. Deze opstanding is niet “de eerste opstanding”, genoemd in Openbaring 20 : 5: “Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding”. Het gaat hierover de martelaren in de Grote Verdrukking, die “het beest” niet hebben aangebeden, en die het merkteken van het beest niet op hun voorhoofd en op hun hand hadden. Het zijn dus mensen, die geleefd hebben onder het schrikbewind van de antichrist op de aarde. De Gemeente zal echter in die tijd niet meer op aarde zijn.
Bij de opstanding, die gepaard gaat met de komst van de Here voor de Zijnen, gaat het om de opstanding van de leden van het lichaam van Christus, die tijdens deze bedeling der genade in Christus ontsliepen. De Schrift noemt deze opstanding de “uitopstanding”, dat wil zeggen de opstanding “tussen de doden uit”.
Het is merkwaardig, dat de in-Christus-ontslapen leden van de Gemeente ook pas op de dag, dat de Gemeente compleet is, hun lichaam zullen terug ontvangen. Wel is hun geloof reeds overgegaan in wonderbaar aanschouwen, en wonen zij “uit het lichaam uit en bij de Here in” (2 Kor. 5 : 1-9). Maar toch zijn zij zonder ons nog niet volmaakt (Heb. 11 : 40)! Dat wacht op de dag van de “opstanding uit de doden”, waaraan allen, die in Christus ontslapen zijn, deel zullen hebben (1 Kor. 15 : 51).

De dag van Christus zal ons ook brengen:

2. De verandering van de in Christus ontslapen en van de bij Zijn komst nog levende gelovigen (1 Kor. 15 : 51-58)

De meeste Christenen zijn nog veel te veel bezig met de dood. Zij hopen “zalig te sterven” en dan in de hemel te komen, om het daar goed te hebben. Dat is de hoogste verwachting van vele kinderen van God; voor het grote doel van God met Zijn Gemeente tonen zij over het algemeen weinig belangstelling.
Waarom gaat het eigenlijk bij het geheimenis aangaande de “verandering” (1 Kor. 15 : 51). Het gaat om ons lichaam, dat nu een tempel is van de Heilige Geest. “Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen veranderd worden, in een punt des tijds, in een oogwenk” (1 Kor. 15 : 51). De leden van het lichaam van Christus kunnen sterven, maar het sterven is voor hen geen absolute noodzaak; wij kunnen zondigen, maar wij zijn niet veroordeeld, dat wij moeten zondigen.

Paulus verlangde niet naar de dood, maar naar de komst van de Here, die hij elk ogenblik verwachtte. Ongetwijfeld was het zijn diepste hartewens te mogen behoren bij hen, die levend overblijven zullen tot de komst des Heren (1 Thess. 4 : 16). De dood kan op zichzelf geen enkele bekoring hebben voor gelovigen, want hij is immers “het loon der zonde”, en “onze laatste vijand” (1 Kor. 15 : 26).
Volgens Romeinen 8 : 11 is het uiteindelijke resultaat van de inwoning van de Geest van Christus in ons: de verheerlijking van ons sterfelijk lichaam, zodat ons lichaam gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam. Daarom leeft in ons onder leiding van de Geest — want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods — het diepe en intense verlangen naar de verlossing van ons lichaam; want wij kennen geen volkomen zoonschap zonder een verlost, verheerlijkt lichaam, dat gelijk zal zijn aan Zijn heerlijk lichaam.
Hoe zal zich dit geheimenis aan ons sterfelijk, maar nog niet gestorven lichaam, voltrekken? Het Goddelijk antwoord vinden wij in Hebreeën 11 : 5: “Door het geloof werd Henoch opgenomen”.
Wat doet het geloof? Het steunt op niets anders, dan op het Woord en dan rekent het, steunend op dat Woord, met de verwezenlijking van hetgeen geschreven staat. Daarom schrijft Paulus in verband met de verandering en de opname:“Dit zeggen wij u door het Woord des Heren” (1 Thess. 4 : 15).
Hoe moeten wij ons die verandering voorstellen? Het nieuwe lichaam zal ongetwijfeld een echt lichaam zijn, zoals ook het lichaam van Christus na Zijn opstanding een echt lichaam was; Hij zei immers tot Zijn discipelen: “Een geest heeft geen vlees en beenderen, gelijk gij ziet, dat Ik heb” (Luk. 24 : 39). Het lichaam, dat men in het graf had gelegd, bestond voort in het opstandingslichaam, want Hij toonde Zijn discipelen “de tekenen der nagelen” in Zijn handen (Joh. 20 : 25). En ongetwijfeld is de Here ook zo naar de hemel gevaren, zoals de dicipelen Hem na Zijn opstanding gezien hebben.
Deze nieuwe lichamelijkheid zal haar levensbestaan niet in bloed hebben, gelijk geschreven staat: “Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven”. Het opstandingslichaam van Christus is een geestelijk lichaam, waarvan de levenswerkzaamheid niet gedragen wordt door circulatie van bloed, maar door de volheid van de Heilige Geest, Die de Geest des levens is.
Het nieuwe lichaam is niet meer gebonden aan de ons omringende schepping. Alles in het natuurlijk leven is onderworpen aan de wet van zwakheid, ziekte, lijden en sterven. Hoe ellendig is dit sterfelijk lichaam “het aardse huis dezes tabernakels” er soms aan toe. Hoeveel narigheid zien wij dikwijls bij zieke mensen. Hoeveel zuchten en tranen! En hoe voelen we ons vaak gehandicapt in ons werk, omdat we zo’n armzalige hut hebben. Het opstandingslichaam van Jezus Christus kent geen hindernissen, belemmeringen of zwakheden; zelfs de gesloten deuren van de opperzaal bleken voor de opgestane Here geen enkel beletsel te zijn.
Het nieuwe lichaam vormt het nimmer-falende orgaan voor elke Goddelijke ervaring en openbaring, voor Goddelijk denken en willen. Nu is al ons kennen slechts “ten dele”, dan echter zullen wij kennen zoals wij gekend zijn (1 Kor. 13 : 10-12). Dat heeft God ons in het vooruitzicht gesteld en dat is het, waar de Gemeente op wacht. Bileams ezel zag meer dan Bileam zelf, en het schepsel weet soms meer dan vele wedergeboren gelovigen. Ook de schepping wacht op “de openbaring der zonen Gods”. Zij is aan de ijdelheid, aan de vergankelijkheid, aan de sterfelijkheid onderworpen, maar “in hope” (Rom. 8 : 20, 21)! Reikhalzend ziet zij uit naar de openbaring der zonen Gods, want dan zal zij ook zelf vrijgemaakt worden van de wet der ijdelheid en vergankelijkheid tot “de vrijheid der heerlijkheid der zonen Gods”. En de openbaarwording van ons als zonen van God wacht op “de verlossing van ons lichaam” (Rom. 8 : 23). Welk een heerlijk vooruitzicht en levende hoop heeft God ons gegeven: een verloste ziel in een verlost lichaam! Met het oog op deze waarheid roepen wij uit:” Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning ?…. Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus” (1 Kor. 15 : 55-57). Ja, de laatste vijand, die vernietigd wordt, is de dood, en met hem ook “de tweede dood”!

3. De opname van de ontslapen gelovigen

De dag van Christus brengt de Gemeente, waarvan de leden door de “opstanding” en de “verandering” nieuwe lichamen gekregen hebben, de”opname” (1 Thess. 4: 17). In alles volgt de Gemeente, het lichaam van Christus, het Hoofd, ook in de hemelvaart. De komst van de Here op die dag zal zijn een komen in de lucht, niet op de aarde; dus een tegemoet-komen. Wij zullen een ontmoeting met Hem hebben in de lucht; wij zullen Hem tegemoet gevoerd worden (1 Thess. 4 : 11). Later komt Hij met de Zijnen op aarde, dan zullen Zijn voeten op de Olijfberg staan-, maar wanneer Hij de Zijnen haalt, daalt Hij vanuit de hemel neer Jn de lucht”, en de Zijnen zullen Hem “toevergaderd” worden.
Deze “opname” of “wegrukking” van de Gemeente zal waarschijnlijk niet door de wereld gezien of gehoord worden. Wel zal zij ontdekken, dat de ware Christenen verdwenen zijn; zoals Henoch, van wie geschreven staat, dat hij “niet gevonden werd, daarom, dat hem God weggenomen had” (Hebr. 11 :5).

Wanneer zal de “opname” plaats hebben?

Wanneer zal de “opname” plaats hebben? Vóór of na de Grote Verdrukking zal geschieden, en wel in de allerlaatste plaats van sommigen zeggen, dat de Gemeente voor de Grote Verdrukking wordt weggenomen, en anderen beweren, dat dit na “de Grote Verdrukking” zal gebeuren. Allen trachten hun inzicht Bijbels te funderen.
Desondanks twijfel ik er niet aan, dat de “opname” voor de Grote Verdrukking zal geschieden, en wel in de allereerste plaats vanwege het feit, dat de Gemeente een zeer eigenaardige positie in neemt in het heilsplan van God. De Gemeente is een “inlassing”, of een “onderbreking” in de geschiedenis van Israël. Israël is als natie ter zijde gesteld, “totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn” (Rom. 11 : 25). De “verwerping” van Israël betekent de “verzoening der wereld” (Rom. 11 : 15a). Gedurende deze verwerping vergadert God door Zijn Heilige Geest “uit alle geslacht, taal, volk en natie” Zijn Gemeente. Zodra de Gemeente “voltallig” is wordt zij “opgenomen” en “verheerlijkt”. Op aarde begint dan de Grote Verdrukkingstijd, waarin volgens de Schrift God de draad van lsraëls geschiedenis weer zal opnemen. Een ander argument voor deze opvatting, dat de opname voor de Grote Verdrukking zal plaats hebben, is de inhoud van het Boek Openbaring. Iedere opmerkzame lezer zal ontdekken, dat daar nergens over de opname der Gemeente gesproken wordt. In hoofdstuk 4 worden de gebeurtenissen op de “dag des Heren” geschilderd. Als de opname na de Grote Verdrukking of tegen het einde daarvan zou plaats hebben, dan zou het Boek Openbaring, dat speciaal de oordelen en de Grote Verdrukking behandelt, toch heel zeker over de opname der Gemeente gesproken moeten hebben. Openbaring houdt zich in eik geval vanaf het 4e hoofdstuk uitsluitend bezig met Israël en de volkeren.

Voor de opname vóór de Grote Verdrukking pleit ook het eerste hoofdstuk van Openbaring. Het beschrijft “de openbaring van Jezus Christus“. Welke? In nederigheid als het Lam, dat naar de slachtbank geleid wordt? Neen. Als het Lam, dat overwonnen heeft; als de Leeuw uit Juda, Die over alle vijanden getriomfeerd heeft (Openb. 5 : 5). De Openbaring beschrijft de Here Jezus dus in Zijn heerlijkheid. “Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid” (Kol. 3: 4). De Gemeente moet “opgenomen” zijn, wanneer volgens Openbaring 4 de oordeelstroon wordt opgericht; want volgens 1 Kor. 6:1-3 zal de Gemeente de wereld en de engelen oordelen. Hoe kan dat gebeuren, als de Gemeente mede in het gericht staat? Verder worden wij in 1 Thess. 1 : 10 vermaand “de Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij opgewekt heeft uit de doden, Jezus, Die ons verlost van de toekomende toorn” (zie ook 1 Thess. 5 : 9). Als er staat “van de toekomende toorn”, dan moeten wij opgenomen zijn, wanneer Hij komt om te oordelen.

Welke argumenten voert men aan tegen de opname voor de Grote Verdrukking? Dikwijls verwijst men naar Matth. 24 : 22, waar gesproken wordt over “heiligen” en “uitverkorenen”, die zich in de Grote Verdrukking bevinden. Maar als men deze woorden in hun verband leest, dan is het duidelijk, dat zij geen leden van het lichaam van Christus zijn, maar leden van het Joodse volk. Zij zijn o.a. degenen, die volgens Openb. 7 : 9 direct na de opname op wonderbare wijze tot bekering komen.
Verder wordt als argument tegen de opname voor de Grote Verdrukking ook aangevoerd 2 Thess. 2 : 1-8. Wat zegt dat Schriftwoord? De Thessalonicenzen waren bevreesd geworden en in verwarring gebracht door de boodschap van dwaalleraren, alsof de Dag des Heren, en daarmee de Grote Verdrukking, reeds begonnen was. Als zij echter de opname van de Gemeente niet voor de Grote Verdrukking verwacht hadden, dan zou hun onrust onverklaarbaar zijn. Want dan gebeurde er immers precies, wat zij verwacht hadden! Maar zij waren kennelijk door valse en verkeerde lering in grote onrust gebracht, en Paulus stelt hen gerust met de woorden: “Dat u niemand verleide op enigerlei wijze, want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij”. Hiermee wordt bedoeld de afval onder het Joodse volk, zoals die door de Here Jezus is aangekondigd in Joh. 5: 43:“Zo een ander komt (de antichrist) in zijn eigen naam, die zult gij aannemen”. Wat de Gemeente betreft, spreekt de Schrift nooit over een algemene afval, maar slechts daarover, dat “In de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof” (1 Tim. 4 : 1). Voordat de afval komt, moet uit het midden worden weggenomen, wat hem wederhoudt (2 Thess. 2 : 7). En wat is dat? De Thessalonicenzen wisten het wel, en wij zullen ons hoofd er niet over behoeven te breken. Niemand anders, dan de mystieke Christus. Hij is de Wederhouder.
In Hem zijn de krachten van de onzienlijke wereld, de krachten van geloof, liefde en hoop en de kracht van de gebeden werkzaam; Die staat de afval en de openbaring van de mens der zonde in de weg.

De tegenstanders van de leer van de opname voor de Grote Verdrukking beweren ook dikwijls, dat deze leer ,lijdensschuw” maakt. Paulus leerde, dat de Gemeente voor de Grote Verdrukking werd opgenomen. Was hij bang voor het lijden? Nee, hij roemde in de verdrukking (Rom. 5 : 1-5).

Wie zullen deel hebben aan de Opname?

Volgens de Schrift zullen allen, die “In Christus” zijn (1 Kor. 15 : 51), allen, die de Heilige Geest ontvangen hebben en zich door Hem laten omvormen tot het beeld van de Here Jezus (Rom. 8 : 2; 2 Kor. 3 : 18), aan deze machtige gebeurtenis deel hebben.
Deze “allen” moeten verschijnen voor “de Rechterstoel van Christus” (2 Kor. 5 : 10). Daar gaat het niet om “zalig-worden” of “verloren-gaan”, maar om het openbaar-worden van de trouw, waarmee wij Hem gediend hebben, en de beloning die daarvoor ons deel zal worden.

Welke betekenis zal de “Opname” hebben?

Voor de verhoogde Heer betekent de opname het aanbreken van het uur, waarop Hij Zelf zolang gewacht heeft. Dan heeft Hij Zijn doel bereikt; dan bezit Hij Zijn lichaam (de Gemeente): “de volheid Desgenen, Die alles in allen vervult” (Ef. 1 : 23). Dan ontvangt Hij de eerstelingvrucht van Zijn werk; een voorproef van wat er nog gaat komen. Welke een overwinning voor Hem! Ondanks alle listen van Satan heeft Hij dan een Gemeente zonder vlek of rimpel, die Hij aan de Vader zal voorstellen.
Voor de Gemeente betekent de opname, dat zij Hem dan eindelijk aanschouwt, zoals Hij is (1 Joh. 3 : 2). Wat zal dat een dag zijn, als wij Hem zullen zien, Die Zichzelf heeft overgegeven, om de losprijs te betalen voor de zondige mensheid; Die in het vlees kwam en gehoorzaam geweest is tot in de dood; op Wie God onze zonden en onze straf kon leggen; Hem, Die het rechtvaardige oordeel van God aan Zijn lichaam liet voltrekken, opdat wij het kindschap Gods zouden ontvangen. 
Wat zal dat zijn, als wij Hem zullen zien, Die aan ons leven zo’n rijke inhoud heeft gegeven! In Zijn heerlijkheid zullen wij Hem aanschouwen van aangezicht tot aangezicht en bij Hem blijven tot in alle eeuwigheid.

Voor de Satan, de god van deze wereld, betekent de opname het begin van het einde van zijn regering. Eeuwenlang heeft hij  de roeping, redding en toebereiding van de Gemeente getracht te verhinderen. Dan is zij voltooid en verheerlijkt en heeft zij haar eindbestemming bereikt.
Voor Israël en de volkerenwereid betekent deze gebeurtenis het begin van een vreselijke tijd, namelijk de tijd van de antichristelijke regering, waarvan Jezus Christus gezegd heeft: “Zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden” (Matth. 24 : 17).

De Gemeente is echter thuis bij de Here, waar men niets weet van verdrukking en smart.
Maar “een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is” (1 Joh. 3 : 3). God helpe ons, dat onze ogen nog meer open gaan voor de hoop van Zijn roeping, en voor de rijkdom der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen.

5 thoughts on “Wat is de gemeente, wat is ze niet?

  1. Goedendag Jaap, heb de brochure gelezen.
    Elke keer een stukje ervan. Erg verwarrend.

    Als je dit wil verwijderen begrijp ik dat.

    Ik kwam er al snel achter dat ook deze brochure, de inhoud, zo neergezet is om een bepaalde Israël-visie in stand te houden.
    Ik geloof ook niet in die grote verdrukking van 7 jaren, dan moet die opname erbij gehaald worden, anders past die hele leer niet. enz.
    Het staat nergens in de Bijbel te lezen. Menselijke interpretatie… en dat maakt het zo moeilijk.
    Daar komt verdeeldheid van. Velen willen hun visie verdedigen.

    Wie is dan de bruid van het Lam???
    Velen geloven Israël… anderen weer de gemeente, bestaande uit gelovigen uit Israël en gelovigen uit de volken.

    Er is nog meer… om het verwarrend te maken…. wie zijn dan de ‘bruiloftsgasten”??? Als ik lees in Matth. 9 : 14-15 gaat het om de discipelen. Zij worden de gasten genoemd.
    In Johannes 3 : 29, wordt Johannes de Doper vriend van de bruidegom genoemd.
    Gasten of vriend van de bruidegom… is niet de Bruid.
    Wie is dan wie????

    En dat wordt verwarrend.
    Het is eigenlijk niet echt moeilijk, maar dan moeten we allen de theologie en uitleg van velen ‘Bijbel-uitleggers’, los laten.

    Wij hebben de Heilige Geest om ons te leiden in de volle waarheid.

    Gezegende dag Jaap, ook voor je vrouw, en hartelijke groet, Esther.

  2. Ik kan je nog wel een handvat geven. In het OT sprrekt JHWH dikwijls over de relatie met Zijn vrouw…en je raadt het al: Israel. Hij klaagt er ook over dat ze gehoereerd heeft en scheidt daarom van haar.
    Maar…..dat is het einde niet voor Israel zoals je weet!
    P a s op dat je je niet bevuilt aan de vervangingstheologie!

    Johannes de doper is een verhaal apart. Hij hoort tot de OT tijd, ( de minste in het Koninkrijk der hemelen) want toen hij onthoofd werd was Jezus nog niet gestorven en opgestaan en was het Nieuwe Verbond en daarmee de gemeente nog niet geboren……..

  3. Wat betreft de opname van de Gemeente , de 70 jaarweken van Daniel, de grote Verdrukking, oftewel de dag van benauwdheid van Jakob, de positie van de Gemeente t.o.v Israel, het staat allemaal gewoon in de Bijbel. Het snijdt ook hout, als je alles op een hoop veegt wordt het een onbegrijpelijke chaos, dat zie je ondermeer gedemonstreerd in de pinkstertheologie, en de Kingdom Now beweging. Zij denken ook dat zij Israel zijn en zelf het Koninkrijk op aarde moeten brengen. Nou dan kunnen we lang wachten!

  4. Hallo Jaap, nee hoor, ik geloof niet in de vervangingsleer. Ik vind het een vreselijke leer.
    God is nooit gestopt met Israël, door alle eeuwen heen.

    Net zo als dat God in het oude testament, steeds weer met een kleine groep verder gaat, wordt ook wel het overblijfsel of rest van Israël genoemd.
    Ook Paulus haalt nog de woorden van Jesaja aan in Romeinen 9: 27-29.

    Het wordt anders, dat God het gelovige Israël iets meer uitbreid en in Christus de gelovigen uit de volken er bij toegevoegd.
    Het geheim van de gemeente vind de oorsprong in Jezus Christus.
    Heel de brieven van de Galaten en de Efeziërs gaan daar in grote lijnen over.

    Over dat Israël de vrouw van God is, ja dat lezen we meermalen in het oude testament. Laten we niet vergeten dat het alleen om het trouwe, gelovige deel gaat. Al die vele anderen hebben het door de hele geschiedenis heen, met de dood moeten verkopen.
    Dat kunnen we ook wel beknopt lezen in 1 Korinthiërs 10 : 1-11. Als een waarschuwing voor ons. Dan telt dat óók voor ons.

    Er wordt door velen geleerd dat Israël een aardse roeping heeft, en de gemeente een hemelse roeping.
    Als wij Hebreeën 11 : 12-16 lezen, zij verlangden naar een hemels vaderland in de hemel… en God had een stad voor hen klaargemaakt.
    Hebr. 3 : 1 een hemelse roeping, en Hebr. 10 : 34, lezen we dat ze ‘een beter en blijvend bezit in de hemel bezitten’.
    De Hebreeën brief, is gericht naar de gelovige Israëlieten en gemeente in Jeruzalem.

    de bruid van Christus… of het Lam. Wie zijn dat dan.

    En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft , komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen voor niets”. Openbaring 22 : 17.

    Dit lijkt wel evangelisatie… welke Geest en bruid zeggen; Kom.
    Misschien ieder die zo dicht bij de Heere is, zo vol van de Heilige Geest is om mensen de weg van Jezus te wijzen.

    Jaap, ik zeg niet dat ik alles weet, absoluut niet, maar er zit zoveel meer in, waar we nooit of haast nooit over horen of lezen.

    Over die 7 jaren verdrukking, laat ik eerst even zo.

    Vaders zegen Jaap, en hartelijke groet voor jullie samen, Esther.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.