Wat zal er van de staat Israël worden?

Er is, voorzichtig gezegd, nogal verschil van, of misschien wel gebrek aan inzicht over wat de Bijbel zegt aangaande het herstel en de toekomst van Israël. Christen-Zionisten bijvoorbeeld, zien doorgaans geen verschil tussen de 2 en 10 stammen van Israël, en zij geloven dat de Joodse staat van nu hetzelfde als het Bijbelse Israël, Gods volk is.

Daarom dit artikel wat destijds in 1951 als boekje onder deze naam is uitgegeven, en wat toenmalige en ook hedendaagse taboes niet uit de weg gaat. (vJ)

Bron
Door  A. Klein Haneveld sr.

De Staat Israël

Een golf van geestdrift en ontroering voer door de harten van het Joodse volk bij het bekend worden van de proclamatie van 14 Mei 1948 in Tel Aviv. Met ingang van de komende middernacht werd de Staat Israël in het leven geroepen. Een vrije, onafhankelijke Joodse staat in het oude vaderland! Wie had dat ooit kunnen geloven?

Zeker, de Joden hadden er reeds lang, hadden er eigenlijk de eeuwen door, altijd hoopvol naar uitgezien. Bij elke Paasfeestviering, ieder jaar opnieuw, hadden zij over de gehele wereld elkaar toegewenst: “Het volgend jaar in Jeruzalem.” In Jeruzalem zelf aangevuld met de woorden: “maar in een vrij Jeruzalem!” Een onverwoestbaar optimisme had hen steeds doen blijven hopen, dat toch eens de lange ballingschap zou wijken voor de terugkeer. Maar is het niet zo, dat ook de taaist volgehouden hoop, als ze eenmaal in vervulling gaat, ons toch verrast?

Van 1880 af valt er een steeds toenemende beroering onder het Joodse volk waar te nemen. De moord op de tsaar Alexander II van Rusland deed een golf van Pogroms (Jodenmoorden) gaan over dat land. Van toen af begon de massale vlucht naar Amerika. Levendig herinner ik mij nog uit mijn kinderjaren de lange “Jodentrein”, die elke avond om vijf uur ons dorp passeerde, afgeladen vol met emigranten uit Oost Europa, op weg naar de Nieuwe Wereld.

Maar uit diezelfde tijd dateren ook de eerste doelbewuste pogingen tot het vormen van de Joodse nederzetting in Palestina, teneinde het verlaten land te koloniseren. Nog voor het einde der eeuw had er een gebeurtenis plaats, waardoor de Joodse nationale verwachtingen een meer vaste vorm aannamen.De Weense journalist Theodor Herzl, ontsteld over de antisemitische ondergrond van het beruchte eerste Dreyfusproces te Parijs, publiceerde in 1896 zijn in visionaire trant geschreven boek “Der Judenstaat”.

Dit had een geweldige uitwerking. Reeds het volgende jaar opende Herzl te Bazel het eerste wereldcongres der Zionisten, dat als doel der Zionistische beweging stelde het scheppen van een publiekrechtelijk gewaarborgde woonplaats voor het Joodse volk in Palestina. Veel aandacht schonk de wereld daar vooreerst niet aan. Een Joodse staat in het door Turkije beheerste en door erosie en verwaarlozing zo onvruchtbaar geworden land leek al te zeer op een ijdel droombeeld, dat toch voor geen verwezenlijking ooit vatbaar zou zijn.

Herzl zelf had echter een vooruitziende blik. Dadelijk na afloop van het congres schreef hij in zijn dagboek:

“Te Bazel hebben wij de Joodse staat gesticht. Als ik dat vandaag in het openbaar zeide, zou ik van alle kanten uitgelachen worden. Maar misschien over vijf en zeker over vijftig jaar zal iedereen dit erkennen.”

Die woorden zijn bijna letterlijk in vervulling gegaan. Precies vijftig jaar later, november 1947, aanvaardde de U.N.O. (Verenigde Naties) het bekende verdelingsplan, waarbij aan de Joden een deel van Palestina werd toegewezen voor een eigen Joodse staat.

Dit was niet naar de zin van Engeland, ofschoon het toch dertig jaar tevoren (nov. 1917) bij de vermaarde Balfour verklaring aan de Joden een nationaal tehuis in Palestina officieel toegezegd had. Maar de Engelse politiek wordt toch door imperiale motieven geleid en toont telkens haar onbestendigheid. Vooral in verband met de rijke oliebronnen van het Midden Oosten wilden de Engelsen de Arabische volken te vriend houden. Daarom hadden zij reeds sinds jaren de aanvankelijk toegestane Joodse immigratie getraineerd en beperkt, schijnbaar ongevoelig voor de wreedheid die zij daarmee tegen een toch al zo afschuwelijk gemarteld volk begingen.
Immers, terwijl in heel de wereld de kreet van afgrijzen nog na klonk over de massamoord, door de Hitlerbeulen in gaskamers en vernietigingskampen op de Joden gepleegd, ontzag de Engelse regering zich niet, de terugkerende Joodse ballingen door haar ambtenaren te laten opjagen en naar kampen op Cyprus te transporteren of zelfs naar Duitsland terug te voeren. In plaats van het besluit van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties met krachtige hand ten uitvoer te helpen brengen, waartoe zij èn als lid der U.N.O. èn krachtens haar mandaat verplicht was, ging zij het zoveel mogelijk saboteren, en gemene zaak met de Arabieren maken.

In de veelvuldige gewapende conflicten tussen Arabieren en Joden grepen de Engelsen niet of te laat in. Toen hun positie hoe langer hoe neteliger werd en de ontwikkeling der dingen hun boven het hoofd dreigde te groeien, zagen zij geen andere uitweg meer dan zich terug te trekken. Zij besloten hun mandaat op 15 mei 1948 neer te leggen en hun troepen zo snel mogelijk in te schepen.

Het schijnt, dat de Engelsen gemeend hebben, door hun overhaast vertrek in de kaart der Arabieren te spelen. Maar dan hebben zij zich wel zeer vergist! Het terugtrekken der Britse troepen geschiedde veelal onder omstandigheden, die opzettelijk gunstig voor de Arabieren waren, maar toch behaalden in deze burgeroorlog de Joden een volkomen overwinning.

Op 15 mei werd vrijwel het gehele territoir van de Joodse staat veilig door de Hagana (het Joodse leger) beheerst. Op diezelfde datum echter begon de inval der geregelde legers van de vijf aangrenzende Arabische landen (Libanon, Syrië, Irak, Jordanië, Egypte), die zich wel op instigatie van Engeland! reeds in 1945 tot een antizionistische “Arabische Liga” verenigd hadden. Een ogenblik leek het, alsof de Joden, nu zij de “bescherming” der Engelsen misten, tot de laatste man toe in de Middellandse Zee zouden worden gejaagd. Tot ieders verbazing echter was binnen enkele weken de strijd beslist en werd de vijand tot een wapenstilstand gedwongen. Moedig en succesvol hebben de Joodse mannen en vrouwen gestreden.

De gehele Negev (het Bijbelse “Zuiden”), hun trouwens door het besluit van de Verenigde Naties toegezegd, viel in hun handen. Van Jeruzalem wisten zij de Nieuwe Stad in hun macht te krijgen; zonder het “Staakt het vuren” bevel der Verenigde Naties zouden zij zeker ook de Oude Stad, met overwegend Arabische bevolking, hebben veroverd. De staat Israël had haar effectief bestaan met kracht van wapenen bewezen.

Ook op andere wijze heeft zij getoond er te durven zijn! In de proclamatie van 14 mei 1948 was verklaard, dat Tel Aviv de voorlopige hoofdstad van de jonge staat zou wezen. Tel Aviv, tegen het noorden van het oude Jaffa aangebouwd, bestond nog geen veertig jaar, maar was reeds tot een stad tot over de 200.000 inwoners aangegroeid: de grootste stad van Palestina met een zuiver Joodse bevolking. Toch mocht het slechts de voorlopige hoofdstad worden en de gehele wereld begreep, wat dit woordje “voorlopig” te betekenen had. Als werkelijke hoofdstad van Israël zou nooit een andere hoofdstad in aanmerking kunnen komen dan de oude en geliefde Davidsstad: Jeruzalem!

Maar de Verenigde Naties dachten daar anders over. Vooral op aandrang van Rooms-katholieke zijde, waar men vreesde dat de Joden de zgn. “heilige plaatsen” niet zouden ontzien, werd het besluit genomen dat Jeruzalem geïnternationaliseerd en dus van de Staat Israël afgescheiden zou worden. Israëls afgevaardigde, Mosje Sjertok, die zich tijdens de behandeling reeds scherp te weergesteld had, verklaarde rondweg bij zijn vertrek uit Lake Succes, dat Israël dit besluit niet zou aanvaarden. En wat deed de Israëlische regering? Zij verplaatste boudweg haar zetel van Tel Aviv naar Jeruzalem en stelde daarmee de Verenigde Naties voor een voldongen feit: Jeruzalem zou Israëls hoofdstad zijn!

En zo is dan inderdaad op 15 mei 1948 voor Joods besef een einde gekomen aan het derde galoeth, de derde ballingschap. Als eerste galoeth rekenen de Joden het verblijf der vaderen in Egypte. Het tweede was de Babylonische ballingschap. Het derde galoeth begon met de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 AD, en eindigde nu met de uitroeping van de staat Israël.

Wagenwijd heeft deze jonge staat haar poorten voor de terugkerende zonen van het oude volk opengezet en bij duizenden stromen zij dagelijks toe. Zij hebben het gevoel van na lange en smartelijke omzwervingen eindelijk “thuis” gekomen te zijn, thuis in het eigen vaderland, thuis in het oude vertrouwde Erets Jisraël (land Israëls). Zij hopen op een gelukkiger toekomst, terwijl hun leiders dromen van een zegenrijke taak, een heilige roeping, die Israël alsnog te vervullen heeft tot heil van heel de mensheid.

Op welk een vreselijke ontgoocheling dit zal uitlopen, hopen wij in de volgende bladzijden aan te tonen.

Meer lezenWat zal er van de staat Israël worden?