Het woord der waarheid recht snijden

Iedere christen, en meer in het bijzonder iedere prediker van het Evangelie, dient in staat te zijn het “Woord der Waarheid” recht te snijden. De apostel Paulus vermaant zijn jonge broeder en medewerker Timotheüs zeer uitdrukkelijk:

“Benaarstig u, om u zelf Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der Waarheid recht snijdt.” 2Tim. 2:15

Omdat vele predikers het Woord van God niet recht toepassen, zien wij vandaag zoveel verwarring en verkeerd gerichte arbeid in het christendom. Omdat men niet weet wat het tegenwoordige werk Gods is zijn vele overigens oprechte christenen bezig met de “oprichting” of de “uitbreiding” van het Koninkrijk Gods op aarde, in plaats van vast te houden aan het werk van God om

“uit de heidenen een volk aan te nemen voor Zijn Naam”. Hand. 15:14

Dat “volk uit de heidenen” is de Gemeente van Jezus Christus.

Veel christelijke arbeid is vandaag gericht op de vestiging en/of de uitbreiding van Gods Koninkrijk op aarde. Maar het werk Gods heeft niet ten doel de vestiging van de heerschappij van Christus. Dat is een werk, dat God in de toekomst zal uitvoeren. Zijn werk voor deze tijd is de uitroeping en de bijeen verzameling van Zijn Gemeente uít deze wereld. Daarom dient ook alle christelijke arbeid in deze tegenwoordige tijd gericht te zijn op de (innerlijke en uiterlijke) opbouw van de Gemeente en niet op de vestiging van het Koninkrijk Gods op aarde.

Maar de Gemeente, door een verkeerde voorlichting beroofd van haar gezegende hoop op de wederkomst des Heeren, heeft in veel opzichten haar opdracht om het Evangelie te prediken verlaten en zich gewijd aan de verbetering en kerstening van de wereld. Zij is daarmee “de weg van Kaïn” opgegaan, omdat zij op een of andere wijze het paradijs op aarde tracht te herstellen zonder Christus. Judas:11

De beloften aan Israël worden vaak spitsvondig vergeestelijkt om ze toe te passen op de Gemeente. Wet en Genade worden op een wanhopige wijze vermengd, zodat de zoon van de dienstmaagd en de zoon van de vrije opgroeien in het zelfde huis. Gal. 4:30. Vlees en geest worden niet erkend als twee tegenstrijdige naturen in de gelovige, zodat menig Christen, die met de Geest begonnen is, bezig is om met het vlees te voleindigen. Gal. 3:3 De volmaakte positie van de gelovige in Christus, waardoor hij nú reeds zalig is (“Nu zijn wij kinderen Gods.” 1Joh. 3:2), wordt niet geloofd, zodat de zaligheid wordt beschouwd als een zaak, die nog verworven moet worden in plaats van als een gave Gods, die reeds verworven is.

Dit heeft tot gevolg, dat vele christenen helaas niet kunnen wandelen “waardig de roeping met welke zij geroepen zijn” Ef. 4:1, maar zij trachten “waardig” te worden…..

Het karakter van God

Het karakter van God. Hoe Hij is.

Bron: Internetbijbelschool

1. God is heilig

Jesaja 6:3

God is eerst en vooral heilig

– rein (1 Johannes 1:5)

– haat zonde (Spr. 6:16)

– onverdraagzaam ten opzicht van de zonde (Habakuk 1:3)

Hij verdraagt het niet in zijn omgeving. (Exodus 33:20)

– een verterend vuur  (Hebr. 12:28,29; Levticus 10:3)

 

2. God is liefde

God is liefde  (1 Johannes 4:8,16)

de God der liefde  (2 Kor. 13:11)

Hieraan hebben wij de liefde leren kennen. (1 Johannes 3:16)

God zet zich in voor de mens. God heeft het beste met hem voor. Hij verlangt naar zijn gezelschap.

God is een bewogen God (Hosea 11:8)

– “komt toch” het pleiten van God  (Jesaja 1:22)

– hoe dikwijls heb ik niet gewild  (Matth. 23:37)

– de ganse dag de armen uitgestrekt (Romeinen 10:21)

– de mens is weggelopen uit de liefde van God  (Gen. 3:6-8)

je wordt gemist

Gods onferming (Psalm 116:5; Jesaja 49:10)

dat is Gods reactie op nood

met ontferming bewogen (Richt. 2:18; Matth. 9:36; Lucas 7:13)

het doet God wat

het brengt Hem tot aktie

(Richteren 10:16)

God is barmhartig  (Deut. 4:31; Exodus 34:6)

baarmoeder, hebreeuws

koesteren

 

3. God is rechtvaardig

Psalm 7:11; Deut 32:4; Jesaja 45:21

rechtvaardige vader (Johannes 17:25)

Hij is strikt eerlijk

– Hij komt al zijn beloften na (Nehemia 9:8)

– Hij laat niet ongestraft (Nahum 1:3)

– Hij is onpartijdig (1 Petrus 1:7)

– Hij is streng (Romeinen 11:22)

– Hij handhaaft het recht (Psalm 9:17)

– Hij vergeldt, straft het kwade en beloont het goede

(Romeinen 2:1-10; Matth. 6:18; Efeze 6:18)

God is een wreker (1 Thess. 4:6, Nahum 1:2)

Wij laten de wraak over aan de overheid en God zelf.

(Romeinen 12:20; Rom. 13:14)

God kan niet zomaar vergeven

“zonder bloedstorting (zonder vergelding) geschied er geen vergeving”  (Hebr. 9:22)

De Here Jezus heeft zijn bloed voor ons gestort, hij heeft onze schuld overgenomen en er voor betaald met zijn eigen leven, de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem. (Jesaja 53:4-6)

Continue reading “Het karakter van God”